De gemeente Almere heeft een vergunning aangevraagd bij Gedeputeerde Staten voor de uitbreiding van het Almeerderstrand met 7,8 hectare en de aanleg van een luwte-eiland. Eisers, bewoners van nabijgelegen appartementen, maakten bezwaar tegen de vergunning, stellende dat ook het toekomstige gebruik van het strand als evenementenlocatie onderdeel uitmaakt van de aanvraag en dat zij daardoor belanghebbenden zijn.
Gedeputeerde Staten verklaarden het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het gebruik als evenementenlocatie niet onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag en de activiteiten niet onlosmakelijk verbonden zijn. De rechtbank oordeelt dat het gebruik als evenementenlocatie zelfstandig getoetst zal worden in een bestemmingsplanherziening en dat de uitbreiding van het strand en het gebruik als evenementenlocatie niet als één project kunnen worden beschouwd.
De rechtbank beoordeelt vervolgens of eisers gevolgen van enige betekenis ondervinden van de vergunningverlening. Hoewel eisers zicht hebben op de locatie en vrezen dat de natuurwaarden, zoals het aantal watervogels, zullen afnemen, hebben zij dit niet aannemelijk gemaakt met rapporten. De passende beoordeling concludeert dat het project geen significant negatief effect heeft op de natuur.
Gelet op de afstand van circa 1,5 kilometer en het feit dat er nog een grote waterstrook blijft, acht de rechtbank de gevolgen voor eisers te gering voor belanghebbendheid. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het beroep ongegrond verklaard.