De officier van justitie verzocht op 28 februari 2020 om voortzetting van een op 27 februari 2020 opgelegde crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1954. De mondelinge behandeling vond plaats op 2 maart 2020, waarbij betrokkene, haar advocaat en een psychiater werden gehoord. De officier van justitie was niet aanwezig.
De crisismaatregel omvatte verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder medicatie, bewegingsbeperking, insluiting, toezicht, beperkingen in het eigen leven en opname in een accommodatie. Betrokkene verzette zich tegen voortzetting en uitte onvrede over haar behandeling en verblijfplaats. De psychiater pleitte voor voortzetting vanwege de ernst van haar bipolaire-stemmingsstoornissen en de dreiging van acute maatschappelijke teloorgang.
De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk was om ernstig en onmiddellijk nadeel af te wenden, met uitzondering van het toedienen van vocht en voeding, en bepaalde onderzoeken die niet nodig werden geacht. De verplichte zorg werd als evenredig en effectief beoordeeld. De machtiging werd verleend voor drie weken, tot en met 23 maart 2020.