ECLI:NL:RBMNE:2020:1206

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2020
Publicatiedatum
30 maart 2020
Zaaknummer
C/16/493538 / FA RK 19-7744
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet BOPZArt. 37a Wet BOPZ
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige machtiging tot voortzetting psychiatrische opname wegens gevaar zelfdoding

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 12 maart 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor betrokkene, die lijdt aan een stemmingsstoornis met een depressieve periode. Betrokkene verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis en heeft ondanks ECT-behandelingen een blijvende doodswens.

De rechtbank nam kennis van de geneeskundige verklaring, het behandelingsplan en de aantekeningen volgens de Wet BOPZ. Tijdens de zitting werd betrokkene gehoord, die aangaf geen heil te zien in de behandelingen en haar doodswens onveranderd te laten. De psychiater adviseerde toewijzing van het verzoek, hoewel een nieuw behandeltraject met psychotherapie nog onderzocht zou worden.

De rechtbank oordeelde dat betrokkene geestelijk gestoord is en dat de stoornis een gevaar oplevert dat niet buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Daarom werd de voorlopige machtiging voor drie maanden verlengd, met ingang van 12 maart 2020 tot 12 juni 2020, zodat het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis kan worden voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de voorlopige machtiging voor opname van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis tot 12 juni 2020.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/493538 / FA RK 19-7744
BOPZ-nummer: OMZ396615
Voorlopige machtiging

Beschikking van 12 maart 2020

op het verzoek van de officier van justitie van 11 december 2019 tot het verlenen van een voorlopige machtiging met betrekking tot:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] te [woonplaats] ,
verblijvende in [verblijfplaats] te [plaatsnaam] .
De rechtbank heeft kennis genomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder de op 6 december 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ), alsmede de in artikel 37a van de Wet BOPZ bedoelde aantekeningen en het behandelingsplan en een verslag van de stand van uitvoering daarvan.
Bij beschikking van 20 december 2019 heeft de rechtbank de voorlopige machtiging toegewezen voor de duur van drie maanden en het verzoek voor het overige aangehouden, omdat de ECT-behandelingen nog niet waren afgerond en er nog geen gesprek was gevoerd over een eventuele vervolgbehandeling in de vorm van psychotherapie. Tijdens de mondelinge behandeling van 12 maart 2020 is het aangehouden gedeelte van het verzoek behandeld.
De rechtbank heeft gehoord:
- de betrokkene,
- mr. J.M. van Dam, advocaat van betrokkene,
- de heer [A] , psychiater.
Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.
De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling gepleit voor afwijzing van het verzoek. Betrokkene ziet geen heil in de behandelingen. Ze toont wel meer emoties, maar haar doodswens is onveranderd. De betrokkene voegt hier aan toe dat zij de bezorgdheid van iedereen heel lief vindt, maar dat haar doodswens blijft. Betrokkene heeft zich aangemeld bij het expertisecentrum euthanasie.
De psychiater heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek. Hij stelt dat het lastig is dat ondanks de behandelingen, de doodswens van betrokkene aanwezig blijft. Volgende week zal er een gesprek plaatsvinden over het behandelplan. Er wordt gekeken of het doorzetten van de ECT-behandeling nog zin heeft of dat er een ander behandeltraject door middel van psychotherapiebehandelingen zal worden gestart.
De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens en dat de stoornis van de geestvermogens, te weten een stemmingsstoornis, depressieve periode in engere zin, de betrokkene gevaar doet veroorzaken. De rechtbank is van oordeel dat het gevaar, namelijk het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven, niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.
Op grond van de ter zitting gehouden verhoren concludeert de rechtbank, dat eerst nog gekeken moet worden of een ander behandeltraject betrokkene kan helpen. De rechtbank zal derhalve het verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging voor de resterende duur van drie maanden toewijzen.
De rechtbank:
verleentde voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in [verblijfplaats] te [plaatsnaam] of in een ander psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren, met ingang van 12 maart 2020 tot en met 12 juni 2020.
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven door mr. D.J.van Maanen, rechter, in bijzijn van mr. Z.E.W. Fuchs als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2020.