Eiser is sinds mei 2019 eigenaar van een woning die gedaagde sinds 2010 huurt. Er is een aanzienlijke huurachterstand ontstaan, waarop eiser ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming vordert. Gedaagde voert verweer dat hij met de vorige verhuurder een afspraak had om minder huur te betalen vanwege achterstallig onderhoud, maar kan dit niet schriftelijk onderbouwen.
Tijdens de mondelinge behandeling erkent gedaagde geen huur te hebben betaald over oktober tot en met december 2019, waardoor de huurachterstand vaststaat. De kantonrechter geeft gedaagde een bewijsopdracht om zijn stellingen te onderbouwen, maar gedaagde reageert niet op herhaalde verzoeken om getuigen op te geven.
Vanwege verwarring door standaardcorrespondentie in de coronacrisis wordt de beslissing aangehouden tot 1 juli 2020, waarbij gedaagde nog éénmaal de mogelijkheid krijgt schriftelijk getuigen op te geven. De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand groot genoeg is om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen en wijst de vorderingen vooralsnog toe, maar maakt dit nog niet definitief.
De wettelijke rente en proceskosten worden eveneens toegewezen, maar ook deze beslissing wordt aangehouden. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting in juli 2020 voor verdere voortgang. De kantonrechter benadrukt dat lopende huurbetalingen door gedaagde moeten worden voldaan.