Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Verloop van de procedure
- het verzoekschrift van de man, ingekomen bij de griffie op 19 november 2019;
- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen bij de griffie op 7 januari 2020;
- de brief met bijlagen van de vrouw, ingekomen bij de griffie op 28 februari 2020;
- het aanvullend verzoekschrift, tevens verweerschrift houdende zelfstandig verzoeken van de man, ingekomen bij de griffie op 28 februari 2020;
- de brief van de man waarbij zijn aanvullend verzoekschrift, tevens verweerschrift houdende zelfstandig verzoeken nogmaals is toegezonden, ingekomen bij de griffie op 13 maart 2020.
2.De feiten
- [minderjarige 1], geboren op [2006] te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2], geboren op [2010] te [geboorteplaats] .
3.Verzoek en verweer
- de beschikking van het hof van Arnhem-Leeuwarden te wijzigen, in die zin dat de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen met terugwerkende kracht vanaf augustus 2016, althans april 2019, althans januari 2019, althans een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht, op nihil te stellen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage;
- dat de vrouw een nog nader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de man dient te betalen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage;
- dat de vrouw gehouden is om haar financiële gegevens, de laatste drie salarisspecificaties, jaaropgave 2016, 2017, 2018 en 2019, inkomstenbelasting en belastingaangifte over het jaar 2016, 2017, 2018 en 2019 ruim voor de geplande zitting in de procedure zal brengen op grond van artikel 843A jo 21 jo 22 Rechtsvordering te doen overleggen;
- dat er met de medische en financiële informatie in deze zaak vertrouwelijk wordt omgegaan en niet wordt gedeeld aan derden door de vrouw, waarbij een dwangsom van € 50.000,- per overtreding zal worden opgelegd zoals onder punt 54 van dit verzoekschrift is verwoord;
- dat het beslag dat het LBIO op de belastingteruggave van de man heeft gelegd, te doen opheffen;
- dat de vrouw wordt veroordeeld in de (reële) kosten van de procedure zoals onder punt 55 tot en met 57 van het verzoekschrift is voorgerekend te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld in de (reële) kosten van het LBIO ad € 189,34 per maand, stand per oktober 2019 € 1.704,06, dan wel het nader door de man te bepalen bedrag;
- op grond van artikel 223 Rechtsvordering Pro voor de duur van het geding voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een voorlopige voorziening te bepalen waarbij de man geen bijdrage is verschuldigd, dan wel een bijdrage zoals in het petitum van dit verzoekschrift is verzocht, althans een bijdrage in goede justitie te bepalen door de rechtbank, althans de betalingsverplichting van de man voor de duur van het geding op te schorten.
- dat de man zijn financiële gegevens, in ieder geval tien dagen voorafgaand aan de zitting dient te overleggen, zijnde zijn jaarstukken en belastingaangiften van 2012 t/m 2019, op grond van artikel 843a jo 21 jo 22 RV;
- de man te veroordelen in de kosten van de procedure.