ECLI:NL:RBMNE:2020:1503
Rechtbank Midden-Nederland
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Instructievonnis over bewijs en bedrog bij terugvordering geldlening
Eiser en gedaagde hadden van 2016 tot 2018 vriendschappelijk contact, waarbij eiser herhaaldelijk geld overmaakte aan gedaagde wegens haar financiële problemen, in totaal €16.317. Eiser vordert nu terugbetaling en stelt dat de overeenkomst door bedrog tot stand is gekomen, omdat gedaagde niet haar echte naam heeft opgegeven.
De kantonrechter stelt dat niet iedere onwaarheid bedrog is en dat voor bedrog vereist is dat eiser door de onjuiste mededeling tot de rechtshandeling is bewogen. Eiser mag dit nader toelichten. Daarnaast is onduidelijk of sprake is van een geldlening, aangezien gedaagde stelt dat het vooral schenkingen waren, behalve één bedrag van €890.
Omdat partijen het oneens zijn over de aard van de overeenkomst, geldt dat eiser de bewijslast draagt voor zijn stellingen. Zijn verwijzing naar een omvangrijke Whatsapp-correspondentie is onvoldoende gespecificeerd. Daarom krijgt eiser de gelegenheid schriftelijk te reageren en gedaagde daarna ook, waarna de kantonrechter de verdere procedure zal bepalen.
Uitkomst: De zaak is aangehouden voor schriftelijke reacties van partijen over bedrog en geldlening.