Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker is geschorst in de geldigheid van zijn rijbewijs en verplicht een onderzoek te ondergaan naar zijn drugsgebruik, nadat hij werd aangehouden wegens rijden onder invloed van cannabis. Hij maakte bezwaar tegen het besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de schorsing te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, omdat hij als zelfstandig ondernemer afhankelijk is van zijn rijbewijs voor zijn inkomen. Vanwege de coronamaatregelen vond de uitspraak plaats zonder zitting.
Uit het dossier blijkt dat verweerder terecht twijfelt aan de rijgeschiktheid van verzoeker, gelet op de constatering van rijden onder invloed met een overschrijding van de grenswaarde. Het opgelegde onderzoek is bedoeld om definitief vast te stellen of verzoeker rijgeschikt is. De verklaringen van rijinstructeurs en bloedonderzoek door verzoeker zelf zijn onvoldoende om de schorsing te voorkomen.
Verweerder hoeft geen rekening te houden met de persoonlijke gevolgen van de schorsing, omdat de wet geen ruimte laat voor belangenafweging. Verzoekers argumenten en omstandigheden leiden niet tot het afzien van de schorsing. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar tegen het primaire besluit op dit moment geen kans van slagen heeft en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van het rijbewijs en het opleggen van een onderzoek naar drugsgebruik wordt afgewezen.