Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van bedrijfsruimten tot woningen. Na een bezwaarprocedure en het toekennen van een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn, trok verzoeker het beroep in met het verzoek om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om proceskostenvergoeding niet-ontvankelijk was omdat het beroep was ingetrokken, maar zag hier uiteindelijk geen aanleiding toe. De rechtbank stelde vast dat het besluit tot toekenning van een dwangsom gedeeltelijk tegemoet kwam aan de bezwaren van verzoeker, waardoor proceskostenvergoeding op grond van de Awb gerechtvaardigd was.
De rechtbank veroordeelde het college tot betaling van proceskosten van €525,-, gebaseerd op de standaardtarieven voor beroepsmatige rechtsbijstand, en bepaalde dat het griffierecht eveneens door het college vergoed moet worden. Er werden geen kosten toegekend voor het verschijnen ter zitting vanwege het procesverloop.