Uitspraak
[derde-partij],
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft de vraag of een werkneemster na een periode van arbeidsongeschiktheid van 104 weken een nieuwe functie bij dezelfde werkgever is gaan vervullen, waardoor een nieuwe wachttijd van 104 weken voor de Ziektewet zou gelden. De werkneemster was sinds 2014 arbeidsongeschikt als jeugdverpleegkundige en had een WAO-uitkering. Na ontslag in april 2018 meldde zij zich ziek, waarna het UWV oordeelde dat zij in een nieuwe functie als projectmedewerker digitaal werken was begonnen en dat een nieuwe wachttijd van 104 weken van toepassing was.
De werkgeefster betwistte dit en stelde dat de werkneemster geen nieuwe functie had, maar slechts tijdelijke re-integratieactiviteiten verrichtte zonder nieuwe arbeidsovereenkomst of functiewijziging. De rechtbank concludeerde dat het UWV onterecht was uitgegaan van hervatting in een nieuwe functie, omdat dit niet was vastgesteld door een arbeidsdeskundige en de verzekeringsartsen niet bevoegd zijn om dit te beoordelen.
De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten van het UWV en herroept de primaire besluiten die daarop gebaseerd waren. Tevens draagt zij het UWV op binnen vier maanden een nieuwe beslissing te nemen over het bezwaar tegen het primaire besluit van 6 juli 2018. De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de werkgeefster.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de UWV-besluiten en draagt het UWV op binnen vier maanden een nieuwe beslissing te nemen.