Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de tussenbeschikking van 29 januari 2020
- de akte van [verzoeker] van 25 februari 2020
- de akte van [verweerder] van 25 maart 2020.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak stond de berekening van de vergoeding wegens het niet tijdig aanzeggen van het niet voortzetten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd centraal. De kantonrechter heeft in een eerdere tussenbeschikking vastgesteld dat bij de berekening rekening moet worden gehouden met het gemiddelde aantal arbeidsuren per maand, inclusief overuren met toeslagen van 130% en 150%, maar exclusief toeslagen en vakantiebijslag.
Verzoeker heeft loonstroken overgelegd van het jaar voorafgaand aan het einde van het dienstverband, waaruit bleek dat partijen verschillen in de berekening van het eindbedrag vanwege het al dan niet meenemen van toeslagen en het niet in aanmerking nemen van ziekte- en verlofperiodes. De kantonrechter oordeelde dat het eenvoudiger en in lijn met het Besluit loonbegrip is om het totaal verdiende loon in het jaar voorafgaand aan het einde van het dienstverband te nemen, exclusief toeslagen, vakantiebijslag en loon tijdens verlof of ziekte, en dit te herleiden naar een maandbedrag.
Omdat verzoeker vijf werkdagen verlof of ziekte had, werd het jaarloon gedeeld door 11,77 maanden in plaats van 12. Op basis hiervan werd verweerder veroordeeld tot betaling van € 3.333,85 bruto aan verzoeker. Proceskosten werden gecompenseerd omdat beide partijen deels in het ongelijk werden gesteld.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 3.333,85 bruto aan verzoeker wegens schending aanzegplicht.