ECLI:NL:RBMNE:2020:1652

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2020
Publicatiedatum
28 april 2020
Zaaknummer
UTR 19/4307
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:2 AwbArt. 8:88 AwbArt. 9:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid bestuursrechter bij verzoek om schadevergoeding na inbeslagname geld door Belastingdienst

Verzoekster wilde op 23 september 2019 vanaf Schiphol naar Iran vertrekken met contant geld voor medische en onderhoudskosten. Bij controle werd geld in beslag genomen. Verzoekster diende een klacht en verzoek om schadevergoeding in bij de Douane, die dit doorstuurde naar de Belastingdienst. De Douane wees het verzoek af. Verzoekster ging in beroep bij de bestuursrechter.

De rechtbank overwoog dat geen beroep mogelijk is tegen de afhandeling van een klacht en dat de Douane geen bestuursbesluit heeft genomen bij het feitelijk handelen. De inbeslagname werd door de Belastingdienst uitgevoerd wegens openstaande belastingschulden. Omdat het feitelijk handelen van de Douane geen besluit is en niet valt onder de bevoegdheid van de bestuursrechter, is deze onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.

Verzoekster kan haar schadevergoeding uitsluitend bij de burgerlijke rechter vorderen. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af en verklaart zich onbevoegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding wegens het ontbreken van een bestuursbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/4307

uitspraak van 28 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: T. Jafarzadeh),
en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C.J.E. Allein Richir).

Inleiding

Op 23 september 2019 wil verzoekster vanaf Schiphol met het vliegtuig vertrekken naar Iran. Zij heeft een bepaald bedrag contant geld meegenomen. Dit geld wil verzoekster gebruiken om een operatie te laten uitvoeren en om haar onderhoudskosten tijdens haar verblijf in Iran te betalen. Op Schiphol wordt verzoekster aangehouden en er wordt geld in beslag genomen.
Verzoekster heeft naar aanleiding van de inbeslagname op 24 september 2019 een klacht en een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij de Douane. De Douane heeft de klacht en het verzoek om schadevergoeding doorgestuurd naar de Belastingdienst. De Douane heeft op 8 oktober 2019 gereageerd op de klacht van verzoekster en het verzoek om schadevergoeding van verzoekster afgewezen.
Op 10 oktober 2019 heeft verzoekster beroep ingediend tegen de afhandeling van de klacht en daarbij een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A] .

Overwegingen

Afhandeling klacht

1. Verzoekster is het niet eens met de afhandeling van de klacht van de Douane. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 9:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep kan worden ingediend tegen de afhandeling van een klacht. De rechtbank is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het geschil over de afhandeling van de klacht.
Verzoek om schadevergoeding
2. Verzoekster verzoekt om schadevergoeding. Volgens verzoekster is de Douane verantwoordelijk voor de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 23 september 2019. Verzoekster is door de Douane gecontroleerd op illegaal geld. Een vrouwelijke medewerker van de Douane heeft de portemonnee van verzoekster meegenomen. Toen verzoekster haar portemonnee terug kreeg hoorde zij van de Douane dat daaruit geld in beslag was genomen omdat een schuld bij de belastingdienst openstond. Volgens verzoekster is een bedrag van € 2.750,- in beslag genomen, dat is hoger dan het door de Belastingdienst genoemde bedrag van € 1.840,-. Er liep nog een bezwaarprocedure bij de Belastingdienst, waardoor er geen geld in beslag genomen kon worden. Verzoekster verzoekt om het in beslag genomen geld terug te betalen en om een schadevergoeding van € 1.500,-.
3. De rechtbank overweegt dat op basis van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
4. De gestelde schadeoorzaak is in dit geval het feitelijk handelen van de Douane. Op 23 september 2019 heeft de Douane gelet op aangifteplicht liquide middelen van € 10.000,- of meer bij het verlaten van de Europese Unie, verzoekster gecontroleerd. Het contante geld wat verzoekster meehad betrof minder van € 10.000,- en hiervoor hoefde verzoekster dan ook geen aangifte te doen. Vervolgens heeft de Belastingdienst gecontroleerd of er een belastingschuld openstond. Omdat er belastingschulden openstonden, heeft de Belastingdienst een bedrag van € 1.840,- geïnd. Dat blijkt uit het feit dat de Belastingdienst in haar brief van 10 oktober 2019 heeft bevestigd dat het geïnde geld is verrekend met openstaande belastingschulden. Anders dan verzoekster stelt, heeft de Douane geen geld in beslag genomen. Het feitelijk handelen van de Douane is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Ook is het feitelijk handelen, zonder dat het is gevolgd door een onrechtmatig besluit, niet opgesomd in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Awb. Verzoekster is verder geen ambtenaar of een daarmee gelijk te stellen persoon als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in verbinding met artikel 8:2 van Pro de Awb. De conclusie is daarom dat de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding van verzoekster.
Conclusie
5. De bestuursrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding van verzoekster. Ten aanzien van dit verzoek om schadevergoeding kan verzoekster uitsluitend een verzoek om schadevergoeding indienen bij de burgerlijke rechter.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2020 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De rechter is verhinderd de uitspraak te
ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.