Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Procesverloop
d.d. 2 maart 2020.
Rechtbank Midden-Nederland
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een door de burgemeester opgelegde crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De kern van het geschil betrof het niet horen van betrokkene voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, terwijl zij uitdrukkelijk had aangegeven gehoord te willen worden.
De burgemeester had twee pogingen gedaan om betrokkene te horen binnen een tijdsbestek van drie minuten, maar dit was niet gelukt. De burgemeester beriep zich op de ernst van de situatie en de noodzaak tot snel ingrijpen, waarbij betrokkene zich niet meewerkend opstelde en een manisch psychotisch toestandsbeeld vertoonde.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester niet voldoende had gedaan om betrokkene te horen, ondanks haar duidelijke wens daartoe. Er had meer onderzoek moeten plaatsvinden naar de reden waarom het horen niet lukte en er had een nieuwe poging moeten worden gedaan. Hierdoor kon de burgemeester onvoldoende de belangen van betrokkene meewegen, wat in strijd was met de wettelijke vereisten.
Het beroep werd daarom gegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenveroordeling werd afgewezen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij ingrijpende maatregelen zoals verplichte zorg, ook onder tijdsdruk.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisismaatregel wordt gegrond verklaard wegens onvoldoende naleving van de hoorplicht door de burgemeester.