De kantonrechter van Rechtbank Midden-Nederland behandelde een zaak waarin een werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had die niet werd verlengd. De werkgever had de werknemer mondeling op 7 augustus 2019 geïnformeerd over het niet voortzetten, maar de schriftelijke bevestiging volgde pas na het einde van het dienstverband. De werknemer vorderde een aanzegvergoeding wegens het niet tijdig schriftelijk aanzeggen van het einde van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter stelde vast dat de werkgever de schriftelijke aanzegplicht niet tijdig was nagekomen en dat de mondelinge mededeling te laat was. Hoewel de werkgever een vergoeding betaalde voor de te late mondelinge aanzegging, was dit onvoldoende om de wettelijke aanzegvergoeding te voorkomen. De werkgever kon niet aantonen dat de werknemer al eerder op de hoogte was, en er waren geen bijkomende omstandigheden die het niet betalen van de volledige vergoeding rechtvaardigden.
Verder werd geoordeeld dat bij de berekening van het gemiddelde loon voor de aanzegvergoeding ook het structureel verrichte overwerk moet worden betrokken, omdat sprake was van wisselende arbeidsduur en overeengekomen overwerk. De werknemer kreeg de gelegenheid om de berekening van de gemiddelde arbeidsduur nader te onderbouwen. Andere vorderingen, zoals vakantiebijslag over overwerk en een nabetaling voor een uurloonverhoging over vakantieuren, werden afgewezen vanwege duidelijke cao-bepalingen die afweken van de wettelijke regeling. Ook de vergoeding voor de kosten van een accountant werd afgewezen omdat de berekening onvoldoende duidelijk was.
De kantonrechter stelde partijen in de gelegenheid om de zaak onderling te regelen en hield verdere beslissing aan.