SVO Harderwijk B.V. en [gedaagde] B.V. sloten een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een appartementencomplex. Na oplevering in november 2019 factureerde [gedaagde] de laatste termijnen, die SVO niet betaalde vanwege onenigheid over resterende opleverpunten.
[gedaagde] legde conservatoir beslag op het bouwdepot, de bankgarantie en het appartementencomplex om verhaal te verzekeren. SVO vorderde in kort geding opheffing van deze beslagen, stellende dat het beslag disproportioneel en onnodig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering van SVO onvoldoende aannemelijk maakte dat de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk was. Het beslag was gerechtvaardigd gezien de openstaande facturen en het belang van [gedaagde] bij verhaal. De vordering tot betaling van de termijnstaten door [gedaagde] werd afgewezen, omdat dit onderwerp in de bodemprocedure thuishoort.
SVO werd veroordeeld in de proceskosten, evenals [gedaagde] in haar reconventionele proceskosten. Het vonnis bevestigt het recht van [gedaagde] om conservatoir beslag te leggen ter zekerheid van haar vordering.