ECLI:NL:RBMNE:2020:1708

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 april 2020
Publicatiedatum
30 april 2020
Zaaknummer
20/515
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking besluit door bestuursorgaan

Verzoekster maakte bezwaar tegen een besluit van het bestuursorgaan van 27 juni 2019, waarbij geen proceskostenvergoeding werd toegekend. Na het indienen van het bezwaarschrift trok het bestuursorgaan het besluit in en kende alsnog een proceskostenvergoeding van €525 toe.

Verzoekster trok daarop haar beroep in en vroeg vergoeding van proceskosten in beroep. De rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan, dat geheel aan verzoekster tegemoet was gekomen, de proceskosten moest vergoeden conform de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank veroordeelde het bestuursorgaan tot betaling van €525 aan verzoekster en stelde dat het griffierecht van €48 ook door verweerder aan verzoekster moet worden terugbetaald. De uitspraak werd gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het bestuursorgaan tot betaling van €525 aan proceskosten en terugbetaling van het griffierecht van €48 aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/515

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 april 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [.] ,verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen verweerders besluit van 27 juni 2019. Verweerder heeft op 17 december 2019 een besluit op dit bezwaar genomen en beslist dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Verzoekster is hiertegen bij de rechtbank in beroep gegaan omdat zij vindt dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend nu verweerder pas na het indienen van het bezwaarschrift is overgegaan tot intrekking van het besluit van 27 juni 2019.
Op 10 maart 2020 heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarin hij besluit om alsnog de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 525,- die in bezwaar zijn gemaakt. Verzoekster heeft daarna haar beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten in beroep. In zijn reactie van 20 maart 2020 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat hij geen bezwaar heeft tegen het vergoeden van de proceskosten in beroep.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift (dus van verzoekster) moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 10 maart 2020 geheel aan verzoekster tegemoet is gekomen. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen in de proceskosten van verzoekster. De proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet dit bedrag aan verzoekster betalen.
4. Verweerder moet uit eigen beweging ook het door verzoekster betaalde griffierecht van
€ 48,- aan hem terugbetalen. Dat volgt uit artikel 8:41, zevende lid van de Awb. Verzoekster zal hierover dus verweerder moeten benaderen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 525,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan op 27 april 2020 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier
.Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.