Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank oordeelt dat het besluit van 14 juni 2019 naar het oude adres van eiser is gestuurd, waar hij sinds 2015 niet meer woont. Hierdoor is het besluit niet op juiste wijze bekendgemaakt en is de bezwaartermijn niet gestart.
Ook de toezending van 17 juli 2019 is volgens eiser wederom naar het verkeerde adres gegaan. Verweerder kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank gaat daarom uit van de stellingen van eiser dat het besluit ook toen niet correct is bezorgd, waardoor ook toen geen bezwaartermijn begon.
Eiser kon pas op 7 augustus 2019 kennisnemen van het besluit, waarna de bezwaartermijn wel begon en op 18 september 2019 afliep. Het bezwaarschrift werd op 10 september 2019 ontvangen, dus tijdig. De rechtbank vernietigt het besluit van 29 oktober 2019 en draagt verweerder op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen en inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Tevens moet verweerder het griffierecht van €47,- vergoeden.