ECLI:NL:RBMNE:2020:1740
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en afwijzing beroep tegen vaststelling
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te Utrecht voor het belastingjaar 2019. Verweerder had de waarde vastgesteld op € 307.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018 en handhaafde deze na bezwaar. Eiser stelde een lagere waarde van € 215.000,- voor en voerde onder meer achterstallig onderhoud en een slechte bouwkundige staat aan.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde de prijs in het economisch verkeer betreft en dat verweerder de bewijslast draagt om aan te tonen dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder onderbouwde de vaststelling met een taxatiematrix die de waardeverhouding tussen de woning en referentiewoningen inzichtelijk maakt, rekening houdend met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceeloppervlakte.
De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de onderhoudstoestand en andere door eiser aangevoerde aspecten, mede op basis van vergelijking met referentiewoningen met vergelijkbare bouwjaren en onderhoudstoestanden. De beroepsgrond faalde en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegewezen.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting vanwege de coronamaatregelen en is verzonden op 30 april 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 307.000,- wordt ongegrond verklaard.