Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2020 in de zaken tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit [woonplaats] , verzoekers,
[derde-partij 2](hierna: vergunninghouders) uit [woonplaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Vergunninghouders hebben omgevingsvergunningen gekregen voor het vergroten van hun woningen door het deels dichtzetten van carports en het plaatsen van garagedeuren. Verzoekers dienden bezwaren in tegen deze vergunningen en vroegen om voorlopige voorzieningen om de bouw te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de rechtmatigheid van de vergunningen niet zonder diepgaand onderzoek kan worden vastgesteld in deze voorlopige procedure. Er is geen sprake van evidente onrechtmatigheid, hoewel enige twijfel bestaat over het standpunt dat de carport een geïntegreerd onderdeel van het hoofdgebouw is.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van vergunninghouders om met de bouw te starten zwaarder weegt dan het belang van verzoekers, die vrezen voor parkeerproblemen. De verbouwingen zijn relatief klein en ongedaan te maken, waardoor de gevolgen voor verzoekers niet onomkeerbaar zijn.
Daarom worden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor de bouwplannen op eigen risico van vergunninghouders kunnen doorgaan tijdens de beroepsprocedure.
Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunningen worden afgewezen; bouw kan doorgaan op eigen risico.