ECLI:NL:RBMNE:2020:1908

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 mei 2020
Publicatiedatum
19 mei 2020
Zaaknummer
20/4
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking voorlopige voorziening in Wlz-zorgzaak

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder dat hij geen recht heeft op zorg uit de Wet langdurige zorg (Wlz) na 11 december 2019. Verzoeker vroeg tevens om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verweerder heeft vervolgens toegezegd de indicatie te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waarmee aan het verzoek van verzoeker is voldaan.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding van zijn proceskosten geëist. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek, waardoor de voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder geen bezwaar heeft tegen vergoeding van de proceskosten.

De voorzieningenrechter heeft de proceskosten vastgesteld op €525,- en daarnaast het betaalde griffierecht van €47,- aan verzoeker toegekend. Verweerder is veroordeeld tot betaling van deze bedragen. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.C. Michon op 14 mei 2020 en kon vanwege coronamaatregelen niet openbaar worden uitgesproken.

Uitkomst: Verweerder is veroordeeld tot betaling van €525 aan proceskosten en €47 aan griffierecht aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. M. Baadoudi),

en

Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 11 december 2019 besloten dat verzoeker geen recht heeft op zorg uit de Wet langdurige zorg (Wlz) en dat verzoeker tot drie maanden na 11 december 2019 Wlz zorg zal krijgen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft ook om een voorlopige voorziening gevraagd. In zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft hij verzocht het besluit van verweerder te schorsen tot zes weken nadat een beslissing op het bezwaarschrift is genomen. Op 5 februari 2020 heeft verweerder medegedeeld dat de indicatie door zal lopen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
2. De voorzieningenrechter kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. Omdat verweerder heeft gedaan wat verzoeker wilde, zal verweerder de proceskosten van verzoeker moeten betalen.
4. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
5. Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 525,- aan proceskosten. Verweerder moet dit
bedrag betalen aan verzoeker.
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier
.Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet