3.3De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgen. Duidelijk is nu dat derde-partij in de functie weliswaar contact kan hebben met de bewoners, maar dat zij hier, gelet op haar beperkingen zoals opgenomen in de FML, haar opleidingsniveau en haar arbeidsverleden, mee om moet kunnen gaan. Zij kan te maken krijgen met conflicten met de bewoners, maar die conflicten hoeft zij niet zelf aan te gaan en op te lossen, ofwel: te hanteren. Met het rapport van 13 februari 2020 is daarom alsnog voldoende gemotiveerd dat de functie de beperking van derde-partij in het hanteren van conflicten niet overschrijdt. Dit betekent dat verweerder het motiveringsgebrek heeft hersteld.
4. Nu het motiveringsgebrek is hersteld bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding meer om te twijfelen aan de juistheid van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Uit de arbeidskundige beoordeling blijkt dat derde-partij per 16 december 2017 met de middelste functie 35,24% kan verdienen van het inkomen dat zij had als medisch administratief medewerker (voordat zij ziek werd). Dit betekent dat zij voor de overige 64,76%, arbeidsongeschikt moet worden geacht. Verweerder heeft de loonaanvullingsuitkering van derde-partij per 16 december 2017 dan ook terecht voortgezet op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 64,76%.
5. Gelet op het motiveringsgebrek dat in de tussenuitspraak is geconstateerd, is het beroep van eiseres wel gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat verweerder in reactie op de tussenuitspraak het motiveringsgebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. Concreet betekent dit dat de rechtbank de voortzetting van de loonaanvullingsuitkering per 16 december 2017 op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 64,76%, in stand laat.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van een derde, stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 525,-- en een wegingsfactor 1).