ECLI:NL:RBMNE:2020:1965
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard wrakingsverzoek tegen aanhouding verkeersboetezaak
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die haar zaak over een verkeersovertreding had aangehouden, ondanks haar verzoek dit niet te doen. Zij stelde dat de rechter vooringenomen was omdat de zaak werd aangehouden om de officier van justitie extra tijd te geven ontbrekende stukken aan te leveren, wat volgens haar niet objectief was meegewogen.
De rechter verweerde zich door te stellen dat aanhouding van de zaak in Mulderzaken gebruikelijk is wanneer essentiële informatie ontbreekt en dat partijen altijd gelegenheid krijgen om op nieuwe informatie te reageren. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek inhoudelijk en concludeerde dat de aanhouding een procesbeslissing is die niet zonder meer kan worden gezien als bewijs van vooringenomenheid.
De wrakingskamer nam de uitzonderlijke omstandigheden van de coronapandemie mee in de beoordeling van de tijdigheid van het verzoek. Er was geen sprake van persoonlijke vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigd vermoeden daarvan. De wrakingskamer verklaarde het verzoek ongegrond en bepaalde dat de procedure voortgezet wordt in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.