ECLI:NL:RBMNE:2020:1979
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning op basis van eigen aankoopprijs
Eisers betwistten de vastgestelde WOZ-waarde van hun woning voor het belastingjaar 2019, die door verweerder was vastgesteld op €475.000,- op basis van de waardepeildatum 1 januari 2018. Eisers stelden een lagere waarde voor en voerden diverse beroepsgronden aan, waaronder onvoldoende motivering van de uitspraak op bezwaar, verschillen tussen WOZ-waarde en aankoopprijs, en schending van rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde de waarde in het economisch verkeer betreft, doorgaans het best vastgesteld aan de hand van de eigen koopprijs rondom de waardepeildatum, tenzij de verkoop onder bijzondere omstandigheden plaatsvond. Dit was niet het geval. De rechtbank verwierp de beroepsgronden van eisers, waaronder hun betwisting dat de WOZ-waarde en aankoopprijs gelijk zijn, en de stelling dat roerende zaken in de koopprijs zijn begrepen zonder onderbouwing.
Verder wees de rechtbank de vergelijking met andere woningen af, omdat de waarde rechtstreeks uit de eigen aankoopprijs is afgeleid. Ook het beroep op het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel faalde, aangezien verweerder conform de Wet WOZ en jurisprudentie handelde en eisers onvoldoende identieke lagere waarderingen aantoonden. De lagere WOZ-waarde voor het belastingjaar 2020 was niet relevant voor de toetsing van 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak werd gedaan zonder zitting vanwege de coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €475.000,- wordt ongegrond verklaard.