Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
: aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
9.BENADEELDE PARTIJ
10.VORDERING TENUITVOERLEGGING
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
12.BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
3 maanden;
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidvoor de duur van
2 jaar;
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van €
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2020 tot aan de dag van volledige betaling;
- verklaart de benadeelde partij in het resterende gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter aan kan brengen;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe;
- gelast dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden ten uitvoer zal worden gelegd;
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe;
- gelast dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken ten uitvoer zal worden gelegd;
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe;
- gelast dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden ten uitvoer zal worden gelegd.