Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling
3.Beslissing
[betrokkene], geboren op [1969] te [geboorteplaats] , Ethiopië, met voor de duur van de machtiging de volgende vormen van verplichte zorg:
Rechtbank Midden-Nederland
De officier van justitie verzocht op 12 mei 2020 om voortzetting van een eerder opgelegde crisismaatregel op grond van artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die verblijft in een GGZ-instelling. De mondelinge behandeling vond telefonisch plaats op 14 mei 2020 vanwege coronamaatregelen, waarbij betrokkene, een afdelingsarts en de advocaat van betrokkene werden gehoord. De officier van justitie was niet aanwezig.
De crisismaatregel omvatte verplichte zorg zoals het toedienen van medicatie, medische controles, bewegingsbeperking, toezicht en opname in een accommodatie. De arts verklaarde dat betrokkene recent was opgenomen onder een crisismaatregel, maar na ontslag zijn medicatie niet goed innam, wat leidde tot ontregeling en verward gedrag. De advocaat betoogde primair afwijzing wegens voldoende vrijwillige bereidheid, subsidiair toewijzing voor kortere duur.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door gedrag voortvloeiend uit een psychische stoornis (schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen) en dat de crisissituatie te ernstig was om de reguliere zorgmachtigingsprocedure af te wachten. De verplichte zorgmaatregelen werden als noodzakelijk, evenredig en effectief beoordeeld, zonder minder bezwarende alternatieven. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor drie weken, tot en met 4 juni 2020.
De beschikking werd op 14 mei 2020 mondeling gegeven door rechter J.P.M. Schwillens en schriftelijk uitgewerkt op 22 mei 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken.