Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
:mr. E. Witte)
.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser maakte bezwaar tegen de schorsing en beëindiging van zijn WAO-uitkering per 1 februari 2009. De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 22 april 2009 en oordeelde dat eiser het besluit pas op 4 april 2018 ontving, waardoor het beroep tijdig was ingediend.
De rechtbank stelde vast dat eiser procesbelang had bij het beroep, omdat de uitkering pas vanaf 6 februari 2017 werd betaald. Hoewel eiser niet is gehoord in de bezwaarprocedure, werd dit gebrek niet inhoudelijk bestraft omdat hij zijn bezwaren in de beroepsprocedure kon toelichten.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aan zijn verplichtingen had voldaan, waardoor de schorsing en beëindiging terecht waren. Het bezwaar tegen de beëindiging was ontvankelijk en de uitkering werd terecht pas vanaf 6 februari 2017 betaalbaar gesteld, omdat eiser niet had voldaan aan de voorwaarden voor terugwerkende kracht.
De beroepen werden ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser en moest het griffierecht vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 4 juni 2020 zonder openbare zitting vanwege corona.
Uitkomst: De beroepen tegen schorsing en beëindiging van de WAO-uitkering worden ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.