Verzoekers zijn eigenaar van een perceel met drie mestputten waarin drugsafval is aangetroffen. Na klachten uit de buurt heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten in december 2019 monsters genomen en vastgesteld dat de mestputten verontreinigd zijn met drugsafval. In januari 2020 is bestuursdwang toegepast door het afsluiten van de putten. Op 18 mei 2020 is een nieuwe last onder bestuursdwang opgelegd, waarbij verzoekers werden gelast de verontreinigde mest uiterlijk 8 juni 2020 te verwijderen onder milieukundige begeleiding.
Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en verzochten op 4 juni 2020 om een voorlopige voorziening om de werking van de last te schorsen gedurende de bezwaarprocedure. Zij stelden dat het spoedeisend belang lag in de hoge kosten die op hen verhaald zouden worden, terwijl zij niet op het perceel wonen en niet wisten van het drugsafval. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de kosten nog niet zijn gemaakt en het verhaal daarvan nog niet heeft plaatsgevonden, zodat het spoedeisend belang ontbreekt.
Verder werd vastgesteld dat verzoekers en verweerder het erover eens zijn dat de verontreinigde mest verwijderd moet worden. De rechter zag geen reden om de bestuursdwang nu te schorsen, ook niet omdat het besluit niet evident onrechtmatig is. Het verzoek werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.