De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de WOZ-waardering en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2019. Verweerder had de waarde vastgesteld en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. In een vergelijkbare zaak werd vastgesteld dat de hoorplicht was geschonden.
Naar aanleiding daarvan erkende verweerder ook in deze zaak de schending van de hoorplicht en stemde in met het alsnog horen van eiser. De rechtbank achtte de schending van de hoorplicht voldoende grond voor vernietiging van de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen waarbij eiser wordt gehoord.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.