De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de WOZ-waardering en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2019. Verweerder had het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde. Tijdens een eerdere zitting in een vergelijkbare zaak erkende verweerder de schending van de hoorplicht.
De rechtbank stelt vast dat ook in deze zaak de hoorplicht is geschonden en verwijst naar de inhoudelijke overwegingen van de eerdere uitspraak. Hierdoor verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar. Verweerder wordt opgedragen een nieuwe uitspraak te doen waarbij eiser alsnog wordt gehoord.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €525,-, en bepaalt dat het betaalde griffierecht van €47,- aan eiser wordt vergoed. De uitspraak is gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen, met mogelijkheid tot openbaar uitspreken zodra dat weer kan.