ECLI:NL:RBMNE:2020:2110

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2020
Publicatiedatum
8 juni 2020
Zaaknummer
NL19.11597
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:80 BWArt. 3:84 lid 1 BWArt. 4:126 lid 2 sub a BWArt. 4:226 BWArt. 154 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling eigendom woning en nalatenschap in complexe erfrechtelijke procedure

Deze civiele zaak betreft de nalatenschap van een overledene die na twee huwelijken en een samenwoning met een derde partner is overleden. De kern van het geschil is of de woning die de overledene samen met zijn langstlevende partner heeft gekocht, geheel aan die partner toebehoort of dat een deel ervan nog tot de nalatenschap behoort.

De rechtbank constateert dat de woning gemeenschappelijk eigendom was en dat de langstlevende partner zich beroept op een verblijvingsbeding en haar erfgenaamstatus. Omdat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, is de nalatenschap een afgescheiden vermogen gebleven waaruit schulden voldaan moeten worden voordat eigendom kan overgaan.

De rechtbank stelt vast dat de woning voor de helft nog steeds tot de nalatenschap behoort en dat de langstlevende partner niet de volledige eigenaar is. Gezien de lange duur van het geschil en de complexiteit van de belangen, wordt de behandeling aangehouden en krijgt de langstlevende partner de gelegenheid een voorstel te doen dat recht doet aan alle betrokkenen. De vereffenaar mag daarop reageren, waarna mogelijk een mondelinge behandeling volgt.

De rechtbank sluit tussentijds hoger beroep uit om de zaak niet verder te rekken en benadrukt dat het een zaak met alleen verliezers is, waarbij geen vonnis een perfecte oplossing kan bieden.

Uitkomst: De woning behoort voor de helft nog tot de nalatenschap; behandeling wordt aangehouden en partijen krijgen gelegenheid tot overleg.

Uitspraak

vonnis
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: NL19.11597
Vonnis van 18 juni 2020
in de zaak van
[eiser] ,
in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [A],
wonend in [woonplaats 1] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat mr. A.C. de Bakker in Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[verweerster],
wonend in [woonplaats 2] ,
verweerster, hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat mr. M.J.M. Derks.

1.Inleiding

1.1.
Deze zaak gaat over de nalatenschap van [A] , geboren op [geboortedatum] 1939. Hij is getrouwd geweest met [B] . Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren, [C (voornaam)] in 1968 en [D (voornaaam)] in 1969. Na echtscheiding in 1976 is hij opnieuw getrouwd met [E] Zij hebben samen één zoon gekregen, [F (voornaam)] (1979). Ook dit huwelijk is geëindigd in echtscheiding.
1.2.
[B] is overleden in 1977. [C (voornaam)] en [D (voornaaam)] waren haar erfgenamen. [A] heeft hen in huis genomen en het huis van [B] verkocht. Met toestemming van de kantonrechter heeft hij, als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen, de opbrengst van ongeveer ƒ 79.000 uitgeleend aan zichzelf, met rentebeding.
1.3.
[A] is in juli 2004 gaan samenwonen met [verweerster] (geboren in 1948). Zij hebben samen een huis gekocht, [adres] in [woonplaats 2] . Zij hebben op 5 juli 2004 een samenlevingsovereenkomst gesloten met een verblij [.] vingsbeding. [A] heeft op die datum ook een testament gemaakt, waarin hij [verweerster] tot enig erfgename benoemd heeft. Hij heeft aan [C (voornaam)] en [D (voornaaam)] elk een kwart van zijn vermogen – in contanten – gelegateerd in de vorm van een niet opeisbare geldvordering, en [F (voornaam)] onterfd.
1.4.
Kort daarna, op [overlijdensdatum] 2004, is [A] onverwacht overleden. [verweerster] heeft de erfenis beneficiair aanvaard. Aanvankelijk is zij ook opgetreden als vereffenaar, maar in 2009 is [eiser] benoemd tot vereffenaar.
1.5.
Inmiddels is er een groot aantal procedures geweest. Daarin is onder meer beslist dat [C (voornaam)] en [D (voornaaam)] een vordering op de nalatenschap hebben vanwege de geldlening van ƒ 79.000. Volgens [verweerster] had hij die al terugbetaald in de vorm van een toelage tijdens hun studie. Naar het oordeel van de rechtbank was dat geen terugbetaling, maar een bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud en studie. Deze schuld aan zijn kinderen stond bij zijn overlijden dus nog steeds open.
1.6.
In 2019 heeft [eiser] als vereffenaar in kort geding een machtiging tot verkoop van het huis gevorderd. Deze eis is afgewezen, omdat het spoedeisend belang ontbrak.
1.7.
In deze procedure vordert [eiser] opnieuw een machtiging om de woning te gelde te maken. Daarnaast vordert hij dat de rechtbank vaststelt tot welk bedrag de ‘quasi-legaten’ aan [verweerster] verminderd moeten worden, en betaling van dat bedrag.
1.8.
De zaak heeft bij de rechtbank een tijdlang stil gelegen door een tekort aan zittingsruimte. Daarna was het als gevolg van de corona-maatregelen niet mogelijk een zitting te plannen. Om de zaak niet nog langer te laten liggen zal de rechtbank hem nu schriftelijk bespreken. Partijen mogen daarop reageren. Daarna zal bekeken worden of hij schriftelijk kan worden afgedaan of dat er misschien dan weer een zitting mogelijk is. Dat zal dan wel een kortere zitting kunnen zijn.

2.Beoordeling

2.1.
Over deze kwestie zijn al diverse eerdere procedures gevoerd. Het is dan verleidelijk om een standpunt niet steeds opnieuw te verwoorden, maar om te verwijzen naar eerdere processtukken, die als ‘woordelijk herhaald en ingelast’ beschouwd moeten worden. Het gevolg is een onoverzichtelijk dossier met verwijzing naar bijlagen van bijlagen, die daardoor moeilijk te vinden zijn, en waarin de wederpartij én de rechter de standpunten en argumenten bij elkaar moeten zoeken. Dat is niet de bedoeling. Die standpunten en argumenten van partijen moeten te vinden zijn in de processtukken en niet in de bijlagen, die het karakter hebben van bewijsstukken. Er is geen bezwaar tegen hergebruik van teksten, maar het minste wat men dan kan doen is die teksten nakijken, controleren of ze nog actueel zijn en integreren tot één samenhangend standpunt. Bij de beoordeling beperkt de rechtbank zich tot de inhoud van de processtukken van deze procedure.
2.2.
Inhoudelijk moet vooraf gezegd worden dat dit een zaak is met alleen verliezers. Op grond van eerdere procedures staat vast dat [A] (onaardig gezegd) geprobeerd heeft om zich de erfenis van de moeder van zijn kinderen toe te eigenen. Hij heeft dat geld van hen geleend en hij heeft geprobeerd onder terugbetaling uit te komen door hun studietoelage als terugbetaling te bestempelen. Er is een juridische procedure voor nodig geweest om hun vordering op hem erkend te krijgen, en zij hebben het erfdeel van hun moeder nog steeds niet teruggekregen. [verweerster] aan de andere kant heeft haar partner verloren, en nu staat ter discussie of zij wel kan blijven in het huis dat hij haar heeft willen nalaten. En de zaak sleept al bijna 15 jaar. Een oplossing die beide partijen recht doet, is er niet. [A] had niet de middelen om tegelijkertijd zijn kinderen recht te doen én [verweerster] zo goed verzorgd achter te laten als hij wilde.
Geen enkel vonnis kan een dergelijk probleem oplossen. De rechtbank zal zich daarom beperken tot een juridisch oordeel over de aspecten die nu aan de orde zijn.
2.3.
Juridisch draait de zaak om de vraag: is [verweerster] enig eigenaar van het huis, of behoort het tot de nalatenschap? Die vraag is in een eerdere procedure aan de orde geweest (zaaknummer 5888263). In het vonnis van 25 september 2018 staat:
De rechtbank constateert dat uit de reacties van partijen op de tussenbeschikking blijkt dat partijen het standpunt delen dat de onverdeelde helft van het woonhuis aan de [adres] te [woonplaats 2] , niet meer tot de nalatenschap behoort als gevolg van (de uitvoering van) het verblijvensbeding in de samenlevingsovereenkomst van erflater en [verweerster] . De onverdeelde helft van de woning kan daarom volgens partijen niet meer te gelde worden gemaakt ter betaling van de schulden van de nalatenschap. De rechtbank overweegt dat in dat geval voor wat betreft de woning resteert een actie van de vereffenaar tot vermindering van het verblijvensbeding, zijnde een quasi-legaat, op grond van artikel 4:126 lid 2 sub a BW Pro, conform de aanwijzing van de rechter-commissaris in de beschikking van 18 juli 2014, welk oordeel in stand gelaten is in hoger beroep. Voor vermindering in verband met het fictieve legaat van het verblijvensbeding bestaat geen vervaltermijn, aldus rechtbank Midden-Nederland in rechtsoverweging 3.23 van haar beschikking van 21 april 2015.
Is dat in deze procedure bindend?
2.4.
Het is ieder geval geen gerechtelijke erkentenis, zoals bedoeld in artikel 154 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv): ‘het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij’. Als het al een erkentenis is, dan is het er een die gedaan is in een ander geding, waar andere kwesties aan de orde waren. Het is goed denkbaar dat men in de ene procedure ergens geen punt van maakt, en in de andere wel.
2.5.
Bovendien is een erkentenis een vorm van bewijs. Bij bewijs gaat het om feiten, niet om het juridisch oordeel dat daarop gebaseerd kan worden. Dat er in 2004 een leveringsakte gepasseerd is, is een feit, dat in combinatie met andere feiten kan leiden tot het juridisch oordeel dat [verweerster] nu enig eigenaar is van het huis, of niet. In principe is het aan de rechtbank om op basis van de feiten een juridisch oordeel te vellen. De rechtbank acht zich daarom niet gebonden aan de constatering in het vonnis van 25 september 2018, maar zal er in deze procedure zelf over oordelen.
2.6.
Het huis in [woonplaats 2] was gemeenschappelijk eigendom van [A] en [verweerster] . Volgens [verweerster] is zij nu enig eigenaar. De regels waaraan dat getoetst moet worden zijn de algemene regels over overgang van eigendom in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 3:80 BW Pro maakt onderscheid tussen verkrijging onder algemene en bijzondere titel:
1. Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen.
2 Men verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging, door boedelmenging, door fusie (…)
3 Men verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht, door verjaring en door onteigening, en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging.
(…)
2.7.
[verweerster] beroept zich op het verblijvingsbeding in artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst.
Door het overlijden van een van partijen verblijven alle aan hen gemeenschappelijk toebehorende goederen (waaronder met name begrepen roerende zaken en registergoederen) aan de langstlevende van hen zonder dat deze deswege tot enige vergoeding is gehouden, hetgeen mede wordt bepaald ter voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen, onder verplichting van de langstlevende van de comparanten, om de alsdan op voormeld registergoed rustende hypothecaire schuld(en) (…) geheel te haren/zijnen laste te nemen. (…)
Zo’n verblijvingsbeding is te zien als een overeenkomst onder opschortende voorwaarde over de verdeling van een gemeenschappelijk eigendom. Dat is een vorm van overdracht, dus van eigendomsverkrijging onder bijzondere titel. Daarvoor is levering vereist. Artikel 3:84 lid 1 BW Pro:
Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.
2.8.
[verweerster] kan zich ook beroepen op haar status van erfgenaam. Een erfgenaam verkrijgt door erfopvolging, onder algemene titel. Daarvoor is levering niet nodig. Als [verweerster] de nalatenschap zuiver aanvaard had, had die zich meteen vermengd met haar vermogen, en dan was het huis nu inderdaad haar eigendom. Aan de andere kant waren dan ook de schulden van [A] op haar overgegaan.
2.9.
Dat is niet gebeurd. Zij heeft de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Daardoor is de nalatenschap (waartoe de onverdeelde helft van het huis hoort) een afgescheiden vermogen gaan vormen, een boedel die vereffend moest worden. Bij vereffening worden onder meer schulden voldaan en legaten afgegeven; daarna kan de vereffenaar de nalatenschap afgeven aan de erfgenaam of erfgenamen (4:226 BW). Omdat er hier maar één erfgenaam is, zou de nalatenschap door die afgifte versmelten met haar vermogen, en zou [verweerster] daardoor (onder algemene titel) enig eigenaar van het hele onverdeelde huis worden. Dat is nog niet gebeurd, en dat kan ook niet, omdat de schuld aan de kinderen nog niet voldaan is.
2.10.
Als alternatief kon het huis uit dat afgescheiden vermogen aan haar worden overgedragen, ter uitvoering van het verblijvingsbeding. Overigens is dat een quasi-legaat, zoals bedoeld in artikel 4:126 BW Pro. Dat heeft geen voorrang boven de schulden van de erflater en bijvoorbeeld de kosten van vereffening. Daarvoor had dan dus wel eerst een regeling getroffen moeten zijn. Ook dat is niet gebeurd.
2.11.
De conclusie is, dat het huis nog steeds voor de helft tot de nalatenschap behoort.
2.12.
Een machtiging tot verkoop is een zeer ingrijpend middel, vooral omdat het hier inderdaad gaat om het huis waarin [verweerster] woont. Daarom geeft de rechtbank haar nu de gelegenheid om een andere oplossing voor te stellen, waardoor zij zo min mogelijk wordt benadeeld en [C (voornaam)] en [D (voornaaam)] toch alsnog krijgen waarop zij recht hebben. [eiser] mag vervolgens op dat voorstel reageren. Partijen mogen daarbij ook aangeven of zij een mondelinge behandeling noodzakelijk vinden.
2.13.
Vanwege de lange duur van deze hele kwestie en het grote aantal procedures zal de rechtbank geen tussentijds hoger beroep open stellen. Er moet eens een einde aan komen.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
houdt de behandeling aan;
3.2.
geeft [verweerster] de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken een constructief voorstel te doen, door middel van een taak die de rechtbank haar in het digitale systeem zal geven;
3.3.
bepaalt dat [eiser] daarna een termijn krijgt van eveneens vier weken om daarop te reageren.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2020.