ECLI:NL:RBMNE:2020:2171
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening van een verzoekster tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering te beëindigen per 16 mei 2020, omdat zij meer dan 65% van haar oude loon kan verdienen. De voorzieningenrechter besloot zonder zitting omdat voldoende informatie aanwezig was.
De voorzieningenrechter stelt dat bij financiële geschillen niet snel sprake is van onverwijlde spoed, tenzij er een acute financiële noodsituatie is, zoals faillissement of onomkeerbare situatie. Verzoekster stelde dat zij geen bijstandsuitkering kan krijgen vanwege haar gezondheid en dat zij geen inkomen heeft. Zij werd verzocht dit nader te onderbouwen met financiële stukken, maar zij reageerde hier niet op.
Daarom oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij in een acute financiële noodsituatie verkeert die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Ook is het besluit van het UWV niet evident onrechtmatig, aangezien zonder diepgaand onderzoek niet ernstig aan het besluit getwijfeld hoeft te worden.
Gelet op het ontbreken van spoedeisend belang en het niet aannemen van evident onrechtmatigheid, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.