ECLI:NL:RBMNE:2020:2202

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2020
Publicatiedatum
16 juni 2020
Zaaknummer
UTR 19/2959
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 10 RVV1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens parkeren in parkeervak

Eiser heeft zijn auto op 26 april 2019 geparkeerd aan de Neringweg in Lelystad, een gebied met betaald parkeren. Verweerder legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €63,90 op, bestaande uit naheffing en boetekosten, omdat geen parkeerbelasting was voldaan. Eiser betoogde dat verweerder niet bevoegd was de naheffing op te leggen, omdat zijn auto deels op het trottoir stond en er volgens hem geen sprake was van parkeren in de zin van de Gemeentewet.

De rechtbank stelde vast dat de auto van eiser met het rechter voor- en achterwiel op het trottoir stond, maar dat dit niet uitsloot dat de auto in het parkeervak stond. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn auto gedurende een aaneengesloten periode in het parkeervak heeft laten staan, waardoor het belastbare feit zich voordeed en verweerder bevoegd was de naheffingsaanslag op te leggen.

De rechtbank verwierp het beroep van eiser en bevestigde de naheffingsaanslag. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd schriftelijk gedaan vanwege de coronamaatregelen en kan in hoger beroep worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/2959

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: B. de Jong)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lelystad, verweerder.

Procesverloop

Op 20 juni 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,90.
In de uitspraak op bezwaar van 2 augustus 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart 2020 de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten en alleen zittingen voor urgente zaken door te laten gaan. Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 25 mei 2020.

Overwegingen

1. Op 26 april 2019 heeft eiser de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Neringweg in Lelystad. Er geldt daar betaald parkeren. Partijen zijn het erover eens dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Het bedrag bestaat uit € 1,20 naheffing parkeerbelasting en € 62,70 boetekosten naheffing.
2. Eiser voert aan dat verweerder niet bevoegd was om een naheffing parkeerbelasting op te leggen, omdat er geen sprake was van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet ( parkeren). Volgens eiser is er sprake van overtreding van artikel 10 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990), omdat zijn auto niet op de openbare weg, maar deels op het trottoir stond.
3. Volgens verweerder is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan en er wel degelijk sprake was van parkeren. Eiser stond namelijk geparkeerd op een gefiscaliseerde parkeerplek. Voor zover eisers auto op het trottoir zou staan, stond deze slechts met het rechter voor-en achterwiel op de stoeprand.
4. De rechtbank stelt op basis van de foto’s in het dossier vast dat eisers auto met het rechter voor-en achterwiel op het trottoir staat. Dat maakt echter niet dat verweerder niet bevoegd was om de naheffingsaanslag op te leggen. Uit de foto’s blijkt namelijk dat eiser met zijn auto het parkeervak bezet. Hij heeft zijn auto derhalve gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan in dat parkeervak. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat er geen sprake zou zijn van parkeren. Daarmee heeft het belastbare feit zich voorgedaan en was verweerder bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen. Dat er daarnaast wellicht ook sprake was van een overtreding van het RVV1990 maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.M.J.H. Muijlaert, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier De rechter
(verhinderd de uitspraak te ondertekenen) (verhinderd de uitspraak te ondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.