ECLI:NL:RBMNE:2020:2237

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2020
Publicatiedatum
17 juni 2020
Zaaknummer
UTR 19/3075
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 7:15 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling loondispensatie op basis van juiste loonwaarde en normloon bij Wajong-uitkering

Eiseres, werkgever van een werknemer met arbeidsbeperkingen, had een loondispensatie aangevraagd waarbij het UWV een percentage van 8,10% toekende. Eiseres maakte bezwaar omdat volgens haar het normloon en de functie verkeerd waren vastgesteld, wat leidde tot een te laag percentage.

Na nader arbeidskundig onderzoek concludeerde het UWV dat de loonwaarde 65% bedroeg en het normloon moest worden gebaseerd op de cao retail non-food, wat een loondispensatie van 29,36% opleverde. De rechtbank volgde deze conclusie en stelde het percentage loondispensatie vast op 29,36% voor de periode van 4 maart 2019 tot en met 3 maart 2024.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waarbij zij zelf in de zaak voorzag. Proceskosten werden niet toegewezen aan eiseres omdat zij niet de juiste gegevens had aangeleverd, waardoor de procedure nodig was. Wel werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Loondispensatie vastgesteld op 29,36% en bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N.I. Sperling-Schut),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E. Witte).

Inleiding

1.1
Eiseres is sinds 2007 werkgever van [A] (werknemer). Vanwege zijn arbeidsbeperkingen presteert [A] minder dan een werknemer zonder ziekte of handicap. Eiseres krijgt daarom loondispensatie voor [A] . Dit betekent dat eiseres met toestemming van het Uwv minder dan het wettelijk minimumloon aan [A] mag betalen. Het Uwv vult het loon van [A] aan met een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.2
Op 15 januari 2019 heeft eiseres verlenging van de loondispensatie aangevraagd en heeft daartoe een aanvraagformulier ingevuld. Naar aanleiding daarvan heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv, [B] , onderzoek gedaan en heeft geconcludeerd dat de loonwaarde van [A] 91,90% is ten opzichte van het wettelijk minimumloon. Met het besluit van 27 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vervolgens aan eiseres een loondispensatie van 8,10% toegekend voor de periode 4 maart 2019 tot en met 3 maart 2024.
1.3
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat zij vindt dat het Uwv bij het berekenen van de loonwaarde van [A] niet van de juiste situatie is uitgegaan. Naar aanleiding hiervan heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv, [C] , opnieuw onderzoek gedaan. Zij concludeert in haar rapport van 20 juni 2019 dat er geen redenen zijn om af te wijken van het oordeel van de eerste arbeidsdeskundige. Hierna heeft verweerder het bezwaar van eiseres in het besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.4
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 20 januari 2020. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
1.5
Tijdens de zitting is de zaak met partijen besproken. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden om verweerder in de gelegenheid te geven om nader arbeidskundig onderzoek te doen. De resultaten van dit onderzoek heeft verweerder op 13 maart 2020 aan de rechtbank toegestuurd. Eiseres heeft hier met haar brief van 20 april 2020 op gereageerd.
1.6
Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Het geschil

2. Verweerder is van mening dat de loondispensatie van 8,10% op een juiste manier is vastgesteld. Eiseres is het daar niet mee eens en vindt dat het percentage loondispensatie tussen de 23,50% en 30% zou moeten liggen. Aan de hand van wat er in beroep is aangevoerd, moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven.
Eiseres had ook een beroepsgrond ingediend over het niet horen in bezwaar, maar eiseres heeft die ter zitting ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

Standpunt van eiseres
3. Samengevat voert eiseres aan dat verweerder op basis van een verkeerde gegevens op de aanvraag tot verlenging van de loondispensatie heeft beslist. Dit komt doordat eiseres in het verleden een aantal gegevens op het aanvraagformulier niet juist heeft ingevuld. Daardoor is verweerder er onder andere van uitgegaan dat de functie van [A] ‘algemeen medewerker’ is, terwijl dit volgens eiseres ‘magazijn medewerker’ moet zijn. In het verlengde daarvan is verweerder ook van een onjuist normloon uitgegaan. Niet het normloon voor de functie ‘algemeen medewerker’ zou moeten worden gebruikt, maar er moet worden aangesloten bij de ‘cao retail non-food’. Door van een ander normloon uit te gaan, zou de loondispensatie tussen de 23,50% en 30% komen te liggen.
Nader onderzoek door verweerder
4. Naar aanleiding van wat er op de zitting is besproken, heeft verweerder nader onderzoek laten doen. Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv, [C] , heeft hiervoor op 30 januari 2020 een bezoek gebracht aan eiseres en daar de werkzaamheden en arbeidsprestatie van [A] onderzocht. In haar rapport van 11 maart 2020 concludeert [C] dat de loonwaarde van [A] 65% is. Voor het normloon heeft zij de suggestie van gemachtigde van eiseres gevolgd door aan te sluiten bij de cao retail non-food. Op basis hiervan heeft [C] vervolgens berekend dat de loondispensatie 29,36% moet bedragen. Verweerder heeft daarna in zijn brief van 13 maart 2020 aan de rechtbank laten weten dat hij van mening blijft dat hij, op basis van de gegevens die de werkgever had aangeleverd, in het bestreden besluit een juiste beslissing heeft genomen. Ten aanzien van het percentage loondispensatie verzoekt verweerder om aan te sluiten bij de bevindingen van [C] . Eiseres heeft in haar brief van 20 april 2020 laten weten zich te kunnen vinden in de conclusies van [C] .
Oordeel van de rechtbank
5. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de conclusies van verweerder over te nemen. De rechtbank kan de redeneringen in het rapport van [C] van 11 maart 2020 volgen. Daarbij heeft [C] het percentage loondispensatie van 29,36% berekend op basis van gegevens waarover eiseres en verweerder het eens zijn, zoals de loonwaarde van [A] en het normloon waarvan moet worden uitgegaan. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt.
6. Omdat het geschil zich enkel toespitst op de hoogte van de loondispensatie en partijen beide hebben aangegeven zich te kunnen vinden in de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder opnieuw op het bezwaar te laten beslissen. Ingevolge artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en stelt het percentage loondispensatie voor de periode 4 maart 2019 tot en met 3 maart 2024 vast op 29,36%.
Proceskosten en griffierecht
7. Hoewel het beroep gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Indien eiseres bij de aanvraag tot verlenging van de loondispensatie de juiste informatie aan verweerder zou hebben verschaft, zou dit tot een juiste besluitvorming hebben kunnen leiden. Het is dan ook aan eiseres zelf te wijten dat zij een procedure bij de rechtbank heeft moeten voeren over de loondispensatie. Van kosten die eiseres in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, is dan ook geen sprake. Verweerder hoeft ook de proceskosten in bezwaar niet aan eiseres te vergoeden. Het primaire besluit wordt namelijk niet herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Dit volgt uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
8. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 345,-- aan eiseres vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 herroept het primaire besluit en stelt het percentage loondispensatie voor de periode 4 maart 2019 tot en met 3 maart 2024 vast op 29,36%;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 345,-- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2020 door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J. Naus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.