Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
.
Inleiding
Overwegingen
Eiser was in ieder geval vóór het einde van de bijstand op de hoogte van het recht op beide pensioenen. Eiser heeft immers een brief van het Ministry of Social Development van Nieuw- Zeeland van 23 november 2018 ontvangen waarin hij over het in Nieuw Zeelandse pensioen en de ingangsdatum daarvan is geïnformeerd. In deze brief is vermeld dat het recht op pensioen voor eiser bestaat met ingang van 2 oktober 2018 en dat de eerste betaling op 11 december 2018 gedaan zal worden. De eerste betaling van € 1.121,99 is echter al op 6 december 2018 gedaan. Eiser is ook door het pensioenfonds PGB per brief van 29 november 2018 geïnformeerd over het recht op een PGB-pensioen met ingang van 1 december 2018. In deze brief staat dat het pensioen op de 19e van elke maand op eisers rekening zal worden overgemaakt.
Verweerder is op grond van de Pw verplicht om het bedrag aan pensioenen waarop eiser over de periode van 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018 recht heeft, in mindering op eisers bijstand over déze periode te brengen en van eiser terug te vorderen [1] . Voor de terugvordering is niet van belang wanneer deze pensioenen daadwerkelijk zijn uitbetaald. Het gaat om de periode waarin het recht op deze pensioenen bestaat. Als die periode samenvalt met de periode waarin eiser in beginsel recht op bijstand heeft, moet verweerder tot terugvordering van te veel betaalde bijstand overgaan. Dat eiser op het moment van de terugvordering geen recht meer had op bijstand, staat niet in de weg aan verweerders bevoegdheid om te veel betaalde bijstand van eiser terug te vorderen.
omdateisers vermogen groter is geworden. Verweerder heeft eisers bijstand over de periode van 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018 herzien en teruggevorderd,
omdateiser aan deze periode toe te rekenen inkomsten, namelijk het Nieuw-Zeelandse pensioen en het PGB-pensioen, heeft ontvangen. Die inkomsten moet verweerder in mindering op eisers bijstand over déze periode brengen en van eiser terugvorderen. Verweerder mag op grond van de Pw het voor eiser gereserveerde vakantiegeld verrekenen met wat hij van eiser moet terugvorderen [2] . Omdat er wel iets terug te vorderen is, mag verweerder het voor eiser gereserveerde vakantiegeld daarmee verrekenen.