Uitspraak
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI,
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
5.De beslissing
Arnhem-Leeuwarden.
Rechtbank Midden-Nederland
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, wiens verblijfplaats onduidelijk is tussen Nederland en Turkije. De kinderrechter stelde vast dat het ouderlijk gezag bij de moeder ligt, die in Nederland woont, terwijl de vader in Turkije verblijft. De verblijfplaats van de minderjarige wisselde vaak tussen Nederland en Turkije, met onduidelijkheid over de huidige locatie.
Tijdens de zitting, die telefonisch plaatsvond vanwege coronamaatregelen, werd de moeder gehoord, maar de vader kon niet worden opgeroepen. De Raad en de gecertificeerde instelling konden geen bevestiging krijgen van verblijf in Turkije en deden aangifte van vermissing. De rechter oordeelde dat op basis van artikel 3 Rv Pro de Nederlandse rechter bevoegd is vanwege de woonplaats van de moeder, ondanks onduidelijkheid over de feitelijke verblijfplaats van de minderjarige.
De voorlopige ondertoezichtstelling werd in stand gelaten en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader zonder gezag werd verleend tot uiterlijk 13 augustus 2020. De moeder stond achter het verblijf bij de vader, die goed voor de minderjarige zou zorgen. De gecertificeerde instelling kreeg opdracht om de situatie van de minderjarige nader te onderzoeken, ook via contacten in Turkije.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich bevoegd en verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader tot 13 augustus 2020.