ECLI:NL:RBMNE:2020:2263
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling definitieve vaststelling zorg- en huurtoeslag op basis van gezamenlijk toetsingsinkomen over kalenderjaar
Eiser betwist de terugvordering van zorg- en huurtoeslag over 2018, omdat hij van mening is dat het recht op toeslag onterecht achteraf is vastgesteld op basis van het gezamenlijke toetsingsinkomen over het gehele kalenderjaar. Verweerder heeft het recht op toeslagen definitief vastgesteld op basis van het door de Belastingdienst vastgestelde gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser en zijn toeslagpartner.
De rechtbank overweegt dat de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is geënt op jaarinkomens en dat de Belastingdienst bij het bepalen van de draagkracht gehouden is het verzamelinkomen zoals vastgesteld in de aanslag inkomstenbelasting te hanteren. Verweerder kan niet eigenhandig een ander toetsingsinkomen toepassen.
Eiser heeft aangevoerd dat hij begin 2018 niet wist dat hij meer zou gaan verdienen en dat hij daarom niet zou moeten terugbetalen. Ook voert hij aan dat het vertrouwensbeginsel van toepassing zou zijn vanwege toezeggingen van verweerder. De rechtbank wijst deze argumenten af, omdat geen toezeggingen zijn gedaan door een bevoegd persoon en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het toetsingsinkomen onjuist is vastgesteld.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de terugvordering terecht is, mede omdat eiser een betalingsregeling kan aanvragen indien hij in financiële problemen komt door de terugvordering.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van zorg- en huurtoeslag over 2018 wordt ongegrond verklaard.