ECLI:NL:RBMNE:2020:2304
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waardering woning op grond van vergelijkingsmethode
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een Nederlandse woonplaats, vastgesteld op €265.000 voor het belastingjaar 2019 met waardepeildatum 1 januari 2018. Verweerder handhaafde deze waarde na bezwaar en onderbouwde deze met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix is gebaseerd op verkoopcijfers van vergelijkbare bovenwoningen in de buurt, waarbij rekening is gehouden met factoren zoals bouwperiode, grootte en ligging. Eiser voerde aan dat onder meer de vve-reserves niet correct waren verwerkt, de waarde van dakterrassen te laag werd ingeschat, en de ligging van referentiewoningen niet vergelijkbaar was, maar deze bezwaren werden door de rechtbank verworpen.
Ook het beroep op artikel 40 van Pro de Wet WOZ, dat zou vereisen dat verweerder alle informatie over waardebepaling, zoals KOUDV- en liggingsfactoren, verstrekt, faalde. Verweerder heeft voldoende inzicht gegeven via het taxatieverslag en taxatiematrix, en er bestaat geen wettelijke verplichting om KOUDV-factoren gedetailleerd te presenteren of vaste correctiepercentages toe te passen.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde rechtmatig is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €265.000 wordt ongegrond verklaard.