ECLI:NL:RBMNE:2020:2309
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning op basis van vergelijkingsmethode
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een Nederlandse plaats voor het belastingjaar 2019. Verweerder had de waarde vastgesteld op €454.000, terwijl eiser een lagere waarde van €436.000 vordert. De rechtbank beoordeelt of de waarde niet te hoog is vastgesteld volgens de Wet WOZ.
Verweerder onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde plaats, rekening houdend met grootte, bouwperiode en kaveloppervlakte. Eiser voert aan dat het eigen verkoopcijfer uit 2015 leidend zou moeten zijn, dat een referentiewoning niet vergelijkbaar is, dat onvoldoende rekening is gehouden met het afnemend grensnut en dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht uit artikel 40 Wet Pro WOZ.
De rechtbank oordeelt dat het eigen verkoopcijfer te ver van de waardepeildatum ligt om leidend te zijn, dat de taxatiematrix voldoende vergelijkbare woningen bevat, dat het afnemend grensnut niet opgaat bij deze woninggrootte en dat verweerder voldoende inzicht heeft gegeven in de waarderingsgegevens. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.