Deze zaak betreft een conflict binnen een familie over de nalatenschap van een overleden moeder, waarbij de erfgenamen (vader en twee dochters) en de onterfde zoon tegenover elkaar staan. De erfgenamen vorderen vaststelling van de omvang van de legitimaire massa en een verklaring dat een bedrag van €50.000 aan de zoon als schenking moet worden aangemerkt en op zijn legitieme portie in mindering gebracht. De zoon betwist de boedelbeschrijving en vordert inzage in aanvullende stukken.
De rechtbank benadrukt dat zij alleen over de zakelijke en financiële aspecten kan oordelen en niet over de persoonlijke verhoudingen. De zoon wordt verzocht zijn verweer te concretiseren door aan te geven welke onderdelen van de boedelbeschrijving hij betwist en op welke gronden. Tevens moet hij specificeren welke stukken hij nog wil ontvangen en waarom.
De kern van het geschil betreft de vraag of de ouders een schenking hebben gedaan door renovatiekosten van een pand, waarvan de zoon mede-eigenaar was, te betalen zonder terugbetaling. De rechtbank legt uit dat dit onder de wettelijke definitie van schenking valt, ongeacht afspraken over doorbetaling of schenkingsrecht.
De behandeling wordt aangehouden en partijen krijgen vier weken de tijd om te reageren op de gestelde punten. Daarna zal worden bekeken of de zaak schriftelijk kan worden afgedaan of dat een zitting nodig is.