ECLI:NL:RBMNE:2020:2357
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde hoekwoning met vergelijkingsmethode bevestigd
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de vastgestelde WOZ-waarde van zijn hoekwoning aan een adres te Utrecht voor het belastingjaar 2019. Verweerder heeft de waarde vastgesteld op €397.000,- en heeft dit onderbouwd met een taxatiematrix waarin vergelijkingswoningen worden gebruikt. Eiser stelt een lagere waarde van €325.000,- voor en betoogt dat de stijging van 22% ten opzichte van het voorgaande jaar onterecht is en dat verweerder onzorgvuldig is geweest in de bezwaarprocedure.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de bewijslast draagt om aan te tonen dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat verweerder een methode van vergelijking met referentiewoningen heeft toegepast waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte en andere kenmerken. De gebruikte referentiewoningen zijn voldoende vergelijkbaar en de waardebepaling is transparant en onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat de vermeende onzorgvuldigheid in de bezwaarprocedure, bestaande uit een verkeerd adres in de uitspraak op bezwaar, niet leidt tot een verlaging van de WOZ-waarde. Ook de aanzienlijke stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van het voorgaande jaar is geen reden om de vaststelling onjuist te achten, omdat de waarde jaarlijks opnieuw wordt bepaald op basis van marktgegevens.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt zij de vastgestelde WOZ-waarde. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €397.000,- wordt ongegrond verklaard.