Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die optrad tijdens een regiezitting in een bestuursrechtelijke procedure. Hij stelde dat de rechter partijdig was vanwege het niet ingaan op zijn brief, het niet opnemen van relevante verklaringen in het proces-verbaal en het vermeende vooringenomen oordeel van de rechter.
De wrakingskamer behandelde het verzoek en stelde vast dat het verzoek pas ruim drie weken na de regiezitting en na ontvangst van het verkort proces-verbaal van afspraken was ingediend. Volgens artikel 8:16, eerste lid, Awb moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot wraking bekend zijn.
Omdat verzoeker niet tijdig had gehandeld, werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. De procedure in de bestuurszaak wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.