ECLI:NL:RBMNE:2020:2390

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2020
Publicatiedatum
26 juni 2020
Zaaknummer
UTR 19/5413
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbProcesreglement Bestuursrecht Rechtbanken (Niet-KEI-zaken) 2017 artikel 2.4 lid 3 onder c
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken toereikende machtiging in WOZ-zaak

Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, stelde de WOZ-waarde van een perceel vast voor het belastingjaar 2019. Het bezwaar tegen deze vaststelling werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde een gemachtigde namens de belanghebbende beroep in bij de rechtbank, maar zonder een toereikende machtiging.

De rechtbank stelde de gemachtigde bij meerdere brieven in de gelegenheid om alsnog een geldige machtiging te overleggen, maar ontving slechts een volmacht voor andere entiteiten, niet voor de belanghebbende zelf. De rechtbank concludeerde dat geen geldige machtiging was overgelegd voor het instellen van beroep.

Gezien artikel 8:24 lid 2 en Pro artikel 6:6 van Pro de Awb en het Procesreglement Bestuursrecht Rechtbanken, wijzigde de rechtbank haar eerdere werkwijze en verklaarde het beroep zonder zitting niet-ontvankelijk. Hierdoor kon de rechtbank niet inhoudelijk op het beroep ingaan en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5413

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2020 in de zaak tussen

mr. [A] , veronderstellenderwijs handelend namens [B], uit [woonplaats]
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van perceel 300 aan de [adres] in [woonplaats] (het perceel) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld.
In de uitspraak op bezwaar van 13 november 2019 heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Vervolgens heeft mr. [A] van [naam] B.V. ( [A] ) veronderstellenderwijs namens [B] ( [B] ) beroep ingesteld bij de rechtbank.

Overwegingen

1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is, gelet op artikel 8:54, eerste lid, onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Het beroep is door [A] veronderstellenderwijs ingesteld namens [B] . Bij het beroepschrift is geen toereikende machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van Pro de Awb staat dat een beroep niet‑ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet‑ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
3. De rechtbank heeft [A] bij diverse brieven van 24 december 2019, 28 januari 2020 en laatstelijk bij aangetekend schrijven van 5 maart 2020, in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een toereikende machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens [B] beroep in te stellen en in beroep op te treden. In deze laatste brief staat dat als [A] niet (tijdig) aan dit verzoek voldoet of om uitstel vraagt, de rechtbank het beroep niet‑ontvankelijk kan verklaren. In reactie hierop heeft [A] bij brief van 24 maart 2020 een volmacht aan de rechtbank gestuurd. Met deze volmacht is hij gemachtigd om beroep in te stellen en in beroep op te treden namens Fletcher Hotel Exploitaties B.V. en Fletcher Hotel Vastgoed B.V. De volmacht is ondertekend door [C] en [D] .
4. De overgelegde volmacht is dus geen machtiging van [B] . In het dossier zit weliswaar een kopie van het paspoort van [B] en een e-mail waarin [B] aan [A] vraagt of het zinvol is om bezwaar te maken tegen de vastgestelde WOZ-waarde voor het perceel, maar voor zover dit al als een machtiging moet worden gezien ziet die alleen op de bezwaarfase en niet op het instellen van beroep. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd. [A] heeft geen reden gegeven waarom hij die, ondanks verzoeken van de rechtbank, niet heeft opgestuurd.
5. Tot nu toe hanteerde de rechtbank de werkwijze dat de indiener van het beroep nog tot op de zitting de gelegenheid had om een toereikende machtiging over te leggen. De rechtbank verlaat deze werkwijze, gelet op het bepaalde in artikel 8:24, tweede lid van de Awb, artikel 6:6 van Pro de Awb en artikel 2.4, derde lid, onder c van het Procesreglement Bestuursrecht Rechtbanken (Niet-KEI-zaken) 2017, en zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren omdat het niet aan de wettelijke vereisten voldoet. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is op 25 juni 2020 gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter en mr. S.G.M. Buys en mr. M.C. Verra, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
de griffier de voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u de rechtbank een brief sturen waarin u uitlegt waarom u het niet met de uitspraak eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.