ECLI:NL:RBMNE:2020:2401

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2020
Publicatiedatum
26 juni 2020
Zaaknummer
UTR 20/654
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:5 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:4 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van ingediend bezwaarschrift tegen omgevingsvergunning

Eiseres diende een brief in met betrekking tot een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor zes zelfstandige wooneenheden. Verweerder kwalificeerde deze brief als een zienswijze tegen de aanvraag en niet als een bezwaarschrift. De aanvraag was incompleet en werd buiten behandeling gesteld.

De rechtbank oordeelt dat een bezwaarschrift het gebruik van een wettelijke bevoegdheid inhoudt om een voorziening tegen een besluit te vragen. Omdat er op het moment van de brief nog geen besluit was genomen, kon de brief niet als bezwaarschrift worden aangemerkt. Eiseres had dus geen rechtstreeks beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaarschrift.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier N.K. de Bruin, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief als zienswijze en niet als bezwaarschrift is aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/654

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2020 in de zaak tussen

Bewonersvereniging Oosterspoorplein en omgeving, eiseres

(gemachtigde: mr. A.R. Vliegen)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,verweerder
(gemachtigde: J.G. van Setten)

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift van 14 december 2009. Volgens eiseres heeft zij met deze brief, weliswaar prematuur, bezwaar gemaakt tegen het verlenen van een omgevingsvergunning ter legalisatie van zes zelfstandige wooneenheden aan de [adres] in [woonplaats] .

Overwegingen

2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is, gelet op artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres met de brief van 14 december 2009 geen bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft de brief naar eigen zeggen terecht, opgevat als zienswijze gericht tegen de aanvraag van 26 november 2009 voor het pand. Omdat deze aanvraag nog niet compleet was heeft verweerder de aanvrager tot uiterlijk 28 december 2009 in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens in te dienen. Hieraan is niet voldaan, zodat verweerder de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld.
4. Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Artikel 6:4, eerste lid, van de Awb bepaalt vervolgens dat het maken van bezwaar geschiedt door indiening van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen.
5. De rechtbank oordeelt dat verweerder de brief van 14 december 2009 terecht heeft opgevat als zienswijze tegen de aanvraag, en niet als bezwaarschrift. In de onderwerp regel bovenaan de brief heeft eiseres vermeld:
“Betreft: Ingekomen bouwaanvraag van 26 november; [nummer] - [adres] (maken van 6 woningen in het pand)”Hiermee wordt verwezen naar de
aanvraag. Uit de inhoud van de brief blijkt dat eiseres verweerder met de brief wil bewegen om de aanvraag af te wijzen als verweerder daarop een besluit gaat nemen. Eiseres eindigt de brief met de vraag of verweerder de aanvraag wil weigeren. Niet kan dus worden gezegd dat eiseres niet wist of redelijkerwijs niet kon weten, dat er nog geen besluit tot stand was gekomen, zodat zij met de brief beoogd heeft (prematuur) bezwaar te maken. Voor zover eiseres stelt dat haar brief door verweerder opgevat had moeten worden als handhavingsverzoek, volgt de rechtbank eiseres evenmin. In de brief vraagt eiseres verweerder niet om handhavend op te treden tegen een illegale situatie.
6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken dat er, op het moment dat eiseres beroep instelde, sprake was van een ingediend bezwaarschrift. Dit betekent dat aan eiseres géén rechtstreeks beroep openstond tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit op dat bezwaarschrift door verweerder, zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb in samenhang met artikel 6:12, tweede lid van de Awb.
7. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is op 26 juni 2020 gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempoeldatum die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.