Eiser heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht op zijn verzoek om inzage in persoonsgegevens, gedaan op 11 juli 2019. Verweerder heeft uiteindelijk op 27 januari 2020 een besluit genomen, waarbij een maximale dwangsom van €1.442,- is vastgesteld.
De rechtbank constateert dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit het beroep geheel tegemoetkomt. Omdat verweerder niet volledig aan het verzoek van eiser heeft voldaan, verwijst de rechtbank het beroep naar verweerder om dit als bezwaar te behandelen.
Eiser verzocht tevens om vrijstelling van griffierecht, wat werd toegekend. Verweerder stemde in met een proceskostenvergoeding aan eiser wegens de vertraging in besluitvorming. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op €262,50.
Gezien het feit dat het beroep alleen ziet op de overschrijding van de beslistermijn en de dwangsom, en verweerder inmiddels een besluit heeft genomen, is er geen procesbelang meer bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn en griffier E. de Jong, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.