Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2019, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat opposante onvoldoende concrete beroepsgronden had aangevoerd, waardoor het beroep niet ontvankelijk was.
Opposante stelde dat de uitspraak in strijd was met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank beoordeelde echter dat deze beroepsgronden te algemeen waren geformuleerd en niet duidelijk maakten met welk onderdeel van het bestreden besluit opposante het oneens was.
De rechtbank oordeelde dat er geen twijfel bestond over de uitkomst van de zaak en dat een zitting niet noodzakelijk was. In het verzet werd niet aangetoond dat deze beoordeling onjuist was. Daarom bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. Opposante kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.