ECLI:NL:RBMNE:2020:2452

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 februari 2020
Publicatiedatum
30 juni 2020
Zaaknummer
18/4286
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens onvoldoende beroepsgronden ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2019, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat opposante onvoldoende concrete beroepsgronden had aangevoerd, waardoor het beroep niet ontvankelijk was.

Opposante stelde dat de uitspraak in strijd was met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank beoordeelde echter dat deze beroepsgronden te algemeen waren geformuleerd en niet duidelijk maakten met welk onderdeel van het bestreden besluit opposante het oneens was.

De rechtbank oordeelde dat er geen twijfel bestond over de uitkomst van de zaak en dat een zitting niet noodzakelijk was. In het verzet werd niet aangetoond dat deze beoordeling onjuist was. Daarom bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. Opposante kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18 / 4286-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2020 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. D.I.A. Schröder),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht van 8 oktober 2018.
In de uitspraak van 13 juni 2019 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 juni 2019 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante naar het oordeel van de rechtbank voldoende in de gelegenheid is gesteld om de gronden voor beroep in te dienen. De enkele beroepsgrond die opposante in het beroepschrift heeft ingediend is te vaag naar het oordeel van de rechtbank, omdat zij niet duidelijk heeft gemaakt met welk onderdeel van het bestreden besluit zij het niet eens is. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2019 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2019 niet juist omdat de uitspraak in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarnaast heeft de rechtbank volgens opposante ten onrechte geoordeeld dat er geen gronden van beroep zijn ingediend.
4. De rechtbank is het niet eens met opposante. Artikel 6:5, eerste lid onder b van de Awb bepaalt dat het bezwaar- of beroepschrift gronden voor bezwaar of beroep moet bevatten, maar geeft geen indicatie ten aanzien van de kwaliteit van die bezwaar- of beroepsgronden. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is bekend dat een bezwaar- en of beroepschrift in ieder geval enige bezwaar- of beroepsgrond moet stellen, die (hoe summier dan ook) gemotiveerd moet worden. [1] Een té algemeen geformuleerd bezwaar of beroep voldoet dan ook niet aan de eisen die artikel 6:5, eerste lid onder d van de Awb stelt volgens de Afdeling bestuursrechtspraak. [2] Daarnaast hanteert de Centrale Raad van Beroep de hoofdregel dat in beroep in ieder geval voldoende duidelijkheid moet bestaan omtrent de punten die partijen verdeeld houden. De beroepsgronden moeten terugslaan op de overwegingen waarop het bestreden besluit steunt.
5. Opposante benoemt in het beroepschrift namelijk dat de uitspraak in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hiervoor genoemde kan worden gezien als een grond in de zin van artikel 6:5, eerste lid, onder sub d van de Awb. Echter, dient een beroepsgrond aan enige mate van kwaliteit te voldoen voordat men deze beschouwt als grond volgens artikel 6:5, eerste lid, onder sub d van de Awb. De grond die opposante aanvoert is té algemeen geformuleerd en slaat niet terug op de overwegingen die de rechtbank heeft genomen om tot de bestreden uitspraak te komen. Uit de grond is niet op te maken waarom opposante het niet eens is met de uitspraak en opposante heeft dit ook verder niet onderbouwd. Er bestaat dus geen duidelijkheid over het punt waarover partijen naar het oordeel van de opposante van mening verschillen.
6. De rechtbank is van oordeel dat er opposante geen concrete beroepsgrond heeft ingediend en dat er geen duidelijkheid is ontstaan over waarom opposante het niet eens is met de uitspraak.
7. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2019 in stand blijft.
8. Opposante krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van L.J.N. van der Linden, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Voetnoten

2.ABRvS 8 juni 2000,