ECLI:NL:RBMNE:2020:2476
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet betalen griffierecht
Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 17 juli 2019 waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het griffierecht niet op tijd was betaald. De rechtbank heeft in deze verzetprocedure beoordeeld of de eerdere beslissing om zonder zitting te oordelen terecht was, waarbij het oordeel over de inhoud van het beroep nog niet aan de orde was.
Opposante stelde dat onduidelijkheid bestond over de zaaknummers en de relatie met de verschillende objecten waarvoor het beroep werd ingesteld, mede door het ontbreken van een splitsingsbrief en onduidelijke griffierechtnota's. De rechtbank oordeelde dat het gebruikelijke systeem van zaaknummers en het ontbreken van een eigen kenmerk in het beroepschrift niet onzorgvuldig was en dat opposante zelf verantwoordelijk is voor een goede administratie.
Verder overwoog de rechtbank dat het niet ontvangen van een splitsingsbrief geen aanleiding gaf om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren, omdat slechts één griffierecht verschuldigd was voor de gecombineerde procedure. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de uitspraak binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift was gedaan.
De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en handhaafde de uitspraak van 17 juli 2019. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.