Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een besluit van de Belastingdienst / Toeslagen van 24 december 2019. Het centrale geschilpunt is de tijdigheid van het ingediende bezwaarschrift. Volgens de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) moest het bezwaar binnen zes weken na bekendmaking van het besluit op 5 juli 2019 worden ontvangen, dus uiterlijk 16 augustus 2019.
Eiser diende het bezwaarschrift echter pas op 27 augustus 2019 in, wat te laat is. Eiser voerde privéomstandigheden aan als reden voor de termijnoverschrijding en stelde dat de door verweerder tweemaal verlengde beslistermijn aanleiding moest zijn om coulant te zijn. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden geen geldige reden vormen voor het te laat indienen van het bezwaar. Het is immers de verantwoordelijkheid van eiser om tijdig bezwaar te maken, eventueel ook pro-forma.
De rechtbank benadrukt dat de bezwaartermijn een fatale termijn van openbare orde is die ambtshalve moet worden beoordeeld en niet kan worden verlengd door omstandigheden zoals hier. Daarom is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra op 15 mei 2020.