ECLI:NL:RBMNE:2020:2715

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2020
Publicatiedatum
13 juli 2020
Zaaknummer
UTR 19?4772
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:57 AwbArt. 9:3 AwbArt. 11 Wkkgz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afhandeling klacht door Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

Eiser, een anesthesioloog die zijn samenwerking met een abortuskliniek zag beëindigd, diende een klacht in bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De IGJ reageerde met een brief van 16 mei 2019 waarin werd meegedeeld dat de klacht was afgehandeld. Eiser maakte bezwaar tegen deze brief, stellende dat het een besluit betrof, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is.

De rechtbank stelde vast dat de brief van 16 mei 2019 geen afwijzend besluit op een handhavingsverzoek of een verzoek om inzage bevatte, maar slechts de afhandeling van de klacht. Eiser had eerder beroep ingesteld tegen eerdere brieven, maar de rechtbank had geoordeeld dat deze brieven geen besluiten waren waartegen bezwaar en beroep openstonden.

De rechtbank overwoog dat kennisgeving van een eerder genomen besluit geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de brief van 16 mei 2019 geen primair besluit bevatte. Ook het argument dat een handhavingsverzoek was omgezet in een melding werd verworpen omdat dit wettelijk niet mogelijk is en de brief hierover geen mededeling bevatte.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling en schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Eversteijn op 8 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de brief van 16 mei 2019 geen besluit is en het bezwaar niet-ontvankelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/4772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J.A. Ansems),
en

de Minister voor Medische Zorg, verweerder

(gemachtigde: mr. I. de Groot).

Procesverloop

Bij brief van 16 mei 2019 heeft verweerder eiser bericht dat zijn klacht is afgehandeld.
Eiser heeft hiertegen op 23 juni 2019 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 8 augustus 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen en het beroepschrift aan verweerder gezonden ter behandeling als bezwaarschrift (UTR 19/2455).
Bij besluit van 27 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder behandeling ter zitting af te doen, zoals bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft op 22 juni 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wat ging er aan deze zaak vooraf?
Eiser was werkzaam als anesthesioloog in abortuskliniek [kliniek] . Met ingang van 1 november 2017 heeft de abortuskliniek de samenwerking met eiser opgezegd. Op 8 oktober 2018 heeft eiser een brief gestuurd aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) met de volgende onderwerpen:
I. Uw brief van 26 september 2018, verzoek om nadere informatie;
II. Verzoek om wraking van de behandelend ambtenaar mw. [A] ;
III. Klaagschrift inzake het in behandeling nemen en het aanhouden van de behandeling van de melding ingevolge 11 Wkkgz van [kliniek] in strijd met 11 Wkkgz tweede lid, artikel 25 tweede Pro lid en 8.4. letter c Uitvoeringsbesluit (vide [vide] ).
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft hierop gereageerd bij brieven van 19 november 2018 en 11 december 2018. Bij brief van 16 mei 2019 deelt de inspecteur-generaal IGJ namens verweerder mee dat de klacht is afgehandeld en dat het klachtdossier wordt gesloten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van 11 december 2018. Bij uitspraak van 8 augustus 2019 (UTR 19/222) heeft de rechtbank geoordeeld dat de brief van eiser van 8 oktober 2018 door verweerder terecht is aangemerkt als een klacht en dat de brief van 11 december 2018 daarom geen voor bezwaar en beroep vatbare beslissing is.
Eiser heeft ook beroep ingesteld tegen de brief van 16 mei 2019. Bij aparte uitspraak van 8 augustus 2019 (UTR 19/2455) stelt de rechtbank vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt en dat daarom geen sprake kan zijn van een besluit op bezwaar. Omdat eiser stelt dat hij met de brief van 16 mei 2019 voor het eerst bekend is geworden met een primair besluit, overweegt de rechtbank dat eiser daartegen eerst bezwaar moet maken. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb voor behandeling als bezwaarschrift tegen het vermeende primaire besluit door te zenden aan verweerder. De rechtbank laat zich daarbij uitdrukkelijk niet uit over het al dan niet bestaan van dat primaire besluit, omdat de rechtbank dit niet heeft kunnen vaststellen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Bij besluit van 27 september 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 16 mei 2019 geen besluit is waartegen bezwaar en beroep open staat.
De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden is of dit standpunt van verweerder juist is. Andere vragen kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.
Is de brief van 16 mei 2019 een reactie op een klacht?
Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, heeft de rechtbank al geoordeeld dat de brief van 8 oktober 2018 door verweerder terecht is aangemerkt als een klacht. Ook verweerders brief van 16 mei 2019, waarin de afhandeling van die klacht wordt benoemd, bevat gelet op het bepaalde in artikel 9:3 van Pro de Awb, geen voor bezwaar of beroep vatbare beslissing.
Bevat de brief van 16 mei 2019 een primair besluit?
De vraag of de brief van 16 mei 2019 een (ander) primair besluit bevat, heeft verweerder in het besluit van 27 september 2019 ontkennend beantwoord. De rechtbank volgt verweerder hierin en overweegt daarover het volgende.
Eiser heeft aangevoerd dat met de brief van 16 mei 2019 voor het eerst het besluit aan hem kenbaar is gemaakt dat zijn (handhavings)verzoek van 18 oktober 2017 is omgezet in een melding als bedoeld in artikel 11.1.c van de Wkkgz [1] tegen eiser zelf. Daartegen is zijn bezwaar gericht. De rechtbank stelt echter vast de brief van 16 mei 2019 niet een dergelijke kennisgeving bevat nog daargelaten dat de kennisgeving of bekendmaking van een eerder genomen besluit op zichzelf geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat het niet op rechtsgevolg is gericht. Nergens in de brief van 16 mei 2019 leest de rechtbank dat een verzoek van eiser van 18 oktober 2017 is omgezet in een melding als bedoeld in artikel 11.1.c van de Wkkgz. Dat zou ook zeer opmerkelijk zijn geweest, omdat dit wettelijk niet mogelijk is. Alleen een zorgaanbieder kan een melding doen op grond van artikel 11, eerste lid, onder c, van de Wkkgz en verweerder is niet bevoegd meldingen van anderen “om te zetten” in meldingen als bedoeld in artikel 11, derde lid, onder c, van de Wkkgz. In zoverre bevat de brief van 16 mei 2019 dus geen primair besluit.
9. In de brief van 16 mei 2019 leest de rechtbank ook geen afwijzend besluit op een handhavingsverzoek van eiser. De vraag of eiser op 18 oktober 2017 al dan niet een handhavingsverzoek heeft ingediend hoeft daarom niet te worden beantwoord.
10. Eiser heeft verder – kort samengevat – aangevoerd dat hij een verzoek om inzage en/of om documenten te verstrekken heeft ingediend en dat daarop afwijzend is beslist in de brief van 16 mei 2019. De rechtbank stelt vast dat de brief van 16 mei 2019 geen enkel aanknopingspunt bevat om er een afwijzend besluit op een verzoek om inzage en/of om documenten te verstrekken te lezen.
11. De conclusie is dan ook dat de brief van 16 mei 2019 enkel de afhandeling van eisers klacht bevat. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat de brief van 16 mei 2019 geen besluit is en dat het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk is. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding en evenmin voor het toekennen van schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bressers, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg.