ECLI:NL:RBMNE:2020:2751

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
14 juli 2020
Zaaknummer
C/16/492500 / FO RK 19-1753
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205a BWArt. 1:205 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van wederzijdse erkenning van kinderen wegens gebrek aan belang en contact

Partijen hadden een relatie en erkenden elkaars kinderen, waarbij niet-biologische moeders juridisch ouderschap kregen. Na de relatiebreuk is er geen contact meer tussen de kinderen en de niet-biologische moeders. De biologische moeders hebben het ouderlijk gezag. De verzoekster vraagt vernietiging van de erkenning, gesteund door de bijzondere curator die het belang van de kinderen vertegenwoordigt.

De rechtbank verklaart de verzoekster niet-ontvankelijk omdat het verzoek niet berust op dwaling, bedrog of bedreiging, maar neemt het verzoek van de bijzondere curator wel in behandeling. De rechtbank oordeelt dat de erkenning moet worden vernietigd omdat partijen geen rol meer vervullen in het leven van elkaars kinderen en dit niet in het belang van de kinderen is.

De rechtbank benadrukt dat de erkenning bedoeld is om samen voor een kind te zorgen, wat na de relatiebreuk niet meer gebeurt. De kinderen ervaren verlies en spanningen, en hulpverlening is ingezet. Contactherstel wordt geadviseerd maar partijen staan hier niet voor open. De erkenning wordt vernietigd om het belang van de kinderen te beschermen.

Uitkomst: De wederzijdse erkenning van de kinderen door de niet-biologische moeders wordt vernietigd omdat dit het belang van de kinderen dient.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/492500 / FO RK 19-1753
vernietiging erkenning
Beschikking van 16 juli 2020
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat mr. J.G.M. ter Avest,
tegen
[verweerster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerster] ,
met als belanghebbende
mr. A.M.P.M. Adank,
kantoorhoudende in Utrecht,
als bijzondere curator over de kinderen:
[minderjarige 1],
[minderjarige 2],
[minderjarige 3].

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft op 27 november 2019 een verzoekschrift ingediend.
1.2.
In de beschikking van 21 januari 2020 heeft de rechtbank mr. A.M.P.M. Adank benoemd als bijzondere curator over [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] . De bijzondere curator vertegenwoordigt de kinderen in deze procedure en komt op voor hun belang.
1.3.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het advies van 5 maart 2020 van de bijzondere curator;
  • het verzoekschrift van de bijzondere curator, ingediend op 6 maart 2020;
  • de brief van 11 maart 2020 van [verweerster] ;
  • het F-formulier van 13 maart 2020 van [verzoekster] .
1.4.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 18 juni 2020.
Dit is via Skype (videobellen) gegaan vanwege de maatregelen die de regering heeft genomen om de verspreiding van het coronavirus te stoppen. Die maatregelen schrijven immers voor dat iedereen zo min mogelijk naar buiten moet gaan en dat mensen afstand van elkaar moeten houden. Het videobellen is in overeenstemming met de tijdelijke Algemene Regeling Zaaksbehandeling Rechtspraak.
De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
  • [verzoekster] en haar advocaat,
  • [verweerster] ,
  • de bijzondere curator,
  • mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [plaatsnaam] .
De rechter en de griffier waren in het gerechtsgebouw van de Rechtbank Midden-Nederland in Utrecht .

2.Waar gaat het over?

2.1.
Partijen hebben een relatie gehad.
2.2.
[verzoekster] is bevallen van twee zonen. De zonen zijn:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 1] .
2.3.
[verweerster] is (onder meer) bevallen van een zoon. De zoon is:
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2009 in [geboorteplaats 1] .
2.4.
Op [.] 2017 zijn [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] door [verweerster] erkend en is [voornaam van minderjarige 3] door [verzoekster] erkend.
2.5.
[verzoekster] heeft het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] . [verweerster] heeft ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige 3] . Dit betekent dat [verzoekster] de belangrijke beslissingen over [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] mag nemen en [verweerster] de belangrijke beslissingen over [voornaam van minderjarige 3] mag nemen.
2.6.
[verzoekster] verzoekt om de erkenning van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] door [verweerster] te vernietigen. Ook verzoekt [verzoekster] om de erkenning van [voornaam van minderjarige 3] door haar te vernietigen. Dat wil zeggen dat [verweerster] , in juridische zin, niet meer als de moeder van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wordt aangemerkt en [verzoekster] niet meer als de moeder van [voornaam van minderjarige 3] .
Volgens [verzoekster] is er geen contact meer tussen enerzijds [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en haar en anderzijds [verweerster] en [voornaam van minderjarige 3] . Ook is [verweerster] niet de biologische moeder van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] en is [verzoekster] niet de biologische moeder van [voornaam van minderjarige 3] .
2.7.
[verweerster] stemt in met het verzoek.
2.8.
Voor het geval [verzoekster] het verzoek niet kan doen, heeft de bijzondere curator ook verzocht om de erkenning van de kinderen te vernietigen. De bijzondere curator vindt het in het belang van de kinderen dat het verzoek wordt toegewezen.

3.De beoordeling

Conclusie
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van de bijzondere curator toewijzen en de erkenning van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] door [verweerster] vernietigen en de erkenning van [voornaam van minderjarige 3] door [verzoekster] vernietigen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Ontvankelijkheid
3.2.
De rechtbank zal [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek, want de erkenning van de kinderen heeft niet plaatsgevonden onder invloed van bedreiging, dwaling of bedrog. [1] Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van [verzoekster] niet kan beoordelen.
De bijzondere curator heeft het verzoek namens de kinderen overgenomen, waardoor de rechtbank het verzoek toch kan beoordelen. Om een verzoek namens de kinderen te kunnen doen is namelijk alleen vereist dat de erkenner niet de biologische moeder van de kinderen is.
Vernietiging erkenning
3.3.
De rechtbank zal de erkenning van de kinderen vernietigen, omdat dit het meest in het belang is van de kinderen gelet op de feitelijke situatie. De rechtbank licht dit hierna toe.
3.4.
Partijen zijn het erover eens dat [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] niets meer van [verweerster] te verwachten hebben als moeder, zowel in emotionele als in financiële zin. Evenmin heeft [voornaam van minderjarige 3] nog iets te verwachten van [verzoekster] als moeder. Op 1 april 2019 is de relatie van partijen verbroken en sindsdien is er geen contact meer geweest tussen enerzijds [verzoekster] , [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] en anderzijds [verweerster] en [voornaam van minderjarige 3] . Tijdens de zitting is gebleken dat partijen niet bereid zijn om (op termijn) over contactherstel na te denken, ondanks het advies daarvoor van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
3.5.
Daarbij komt dat [verweerster] niet de biologische ouder is van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] en dat [verzoekster] niet de biologische ouder is van [voornaam van minderjarige 3] .
[voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] zijn geboren voordat partijen een relatie kregen. Tijdens hun relatie hebben partijen samen gekozen voor de zwangerschap van [verzoekster] waaruit [voornaam van minderjarige 1] is geboren. Partijen hebben toen ook besloten om over en weer elkaars kinderen te erkennen. Door zijn ontstaansgeschiedenis is de situatie (juridisch gezien) anders voor [voornaam van minderjarige 1] dan voor [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] , maar de rechtbank maakt hierin geen onderscheid in het belang van de (half)broers.
3.6.
Het is opvallend – en vooral verdrietig voor de kinderen – dat partijen eerst bewust ervoor hebben gekozen om hun sociale ouderschap om te zetten in juridisch ouderschap, maar dat partijen nu de verzorging en opvoeding van hun niet-biologische kind(eren) niet meer op zich nemen. De intentie achter een erkenning is dat je samen een kind wil grootbrengen en dit vervalt niet bij een relatiebreuk. Na het verbreken van de relatie zijn de kinderen echter bij hun biologische moeder gebleven en zij zien de andere moeder en hun halfbroer(s) niet meer.
3.7.
Tijdens de zitting is gebleken dat de spanningen tussen partijen nog groot zijn. Ook hebben de oudste kinderen er last van dat zij van de ene op de andere dag geen gezin meer vormen met hun andere moeder en hun halfbroer(s) en dat zij elkaar zelfs niet meer zien.
[verzoekster] heeft [voornaam van minderjarige 2] aangemeld voor traumatherapie bij [naam organisatie] en [verweerster] heeft de school van [voornaam van minderjarige 3] en het [....] geïnformeerd. Gelet op de klachten van de kinderen heeft de Raad ook voor [voornaam van minderjarige 3] hulpverlening aangeraden.
Daarnaast heeft de Raad benadrukt dat het voor (de identiteitsontwikkeling van) de kinderen goed zou zijn als er een vorm van contactherstel komt. De wijziging van de gezinssituatie is een verlieservaring voor de kinderen die zij moeten verwerken. Het helpt daarbij als de kinderen zien dat contact na een relatiebreuk mogelijk is. Dit zal ook invloed hebben op de relaties die de kinderen later aangaan.
Het is zorgelijk dat partijen niet openstaan voor het advies van de Raad voor contactherstel.
3.8.
De rechtbank vindt het niet in het belang van de kinderen om de erkenning in stand te laten terwijl partijen geen rol meer (willen) vervullen in het leven van elkaars biologische kinderen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek;
4.2.
vernietigt de erkenning van:
[verweerster], geboren op [geboortedatum 4] 1986 in [geboorteplaats 2] ,
van de kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
4.3.
vernietigt de erkenning van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum 5] 1983 in [geboorteplaats 1] ,
van het kind:
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2009 in [geboorteplaats 1] .
Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Verouden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2020.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:205a jo. 1:205 van het Burgerlijk Wetboek (BW)