De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in [woonplaats], vastgesteld op € 837.000,- per 1 januari 2018. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van € 795.000,- voor, gebaseerd op een verkoop in mei 2020 en een waardestijging van circa 17% sinds de waardepeildatum.
Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en onderbouwt deze met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde plaats. De rechtbank beoordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede doordat de vergelijkingsmethode rekening houdt met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceelgrootte.
De rechtbank wijst het beroep af omdat eiser onvoldoende onderbouwt dat zijn gehanteerde waardestijging van 17% passend is voor woningen in deze prijsklasse. Verweerder hanteert een maandelijkse waardestijging van 0,25%, wat transparanter is en beter inzicht geeft in de waardebepaling.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M. van Dalen op 10 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Hoger beroep is mogelijk binnen zes weken na verzending van het afschrift.