ECLI:NL:RBMNE:2020:2776
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit diefstallen en oplichting met babbeltrucs
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 2 juli 2020 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor meerdere diefstallen en oplichting gepleegd met babbeltrucs in oktober 2019.
De officier van justitie stelde het voordeel op €11.812,-, terwijl de rechtbank op basis van bewezen feiten en het ontnemingsrapport het bedrag vaststelde op €8.917,50. Dit bedrag betreft contant geld en gepinde bedragen die veroordeelde heeft verkregen uit de strafbare feiten.
De verdediging bepleitte vrijspraak, waardoor de ontnemingsvordering zou moeten worden afgewezen. De rechtbank verwierp dit en stelde vast dat de ontnemingsgrondslag is de eerdere veroordeling. Er zijn geen kosten aangetoond die van het voordeel afgetrokken moeten worden en er zijn geen bijzondere omstandigheden voor matiging.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €8.917,50 aan de staat te betalen en bepaalde de duur van de gijzeling op maximaal 356 dagen. Het vonnis werd uitgesproken op 16 juli 2020 door de meervoudige kamer.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €8.917,50 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.